Een lief snuitje / a beautiful little face

Marie stond in de schuur te blaffen.
Tegen een paar oude planken.
Tja.
Nu is onze Marie niet het allergrootste lampje dat er op aarde rondloopt, dus we besteedden er niet zoveel aandacht aan.
‘Er zit vast een muis,’ zeiden we, en we haalden onze schouders op.
Maar ja, na een half uur gemekker uit de schuur gingen we toch maar eens kijken.

En zowaar, achter de planken zat geen muis, er zat een klein prikkelballetje.
Ach toch. Dat snuitje!
Lieve lezers, ik wens u een hele fijne zomer!


Our dog Marie discovered a little hedgehog in our shed. It has such a beautiful little face. We took it gently to the back of our garden, behind the henhouse, under the big cherrytree.
Dear blogreaders, I wish you a lovely summer!

Week 28

De laatste week voor de grote vakantie.
Het liefste vriendje van ons Kleine Meisje kwam nog eens spelen, ik vraag me af hoe ze elkaar zes weken lang moeten gaan missen, het zijn net broertje en zusje.

Verder hobbelden we wat door. De meisjes maakten schilderijtjes af afscheidscadeau voor hun juffies. De kleuter in een hysterische Dada-stijl, De Grote Dochter maakte twee allerliefste portretjes. Ze tekent weinig thuis, maar als ze dan tekent dan zie ik mijn hand, mijn kleuren, mijn stijl. Ontroerend vind ik dat.

Ik werkte en werkte. Drukdrukdruk.


En het regende en regende. Natnatnatnat.
Ons riviertje was veranderd in een kolkende, woeste Amazone. Het halve weiland, waar we normaal picknicken, was nu overspoeld door water. Na een dag in de hete zon was het overigens wel lekker opgewarmd, sauna aan je voeten.


Een broeierige, hete dag na al die regen. Met aan het einde een zinderende kletterbui.
‘Ik ga buiten douchen,’ kondigde De Grote Dochter aan.
Ze keek nog even voor de zekerheid of dat wel mocht, haar ogen zochten die van mij.
Ik haalde mijn schouders op. ‘Doe maar lekker.’
En daar ging ze.

It was a busy week. A lot of work, making presents for my daughters teachers, almost summer holiday. It kept raining for two days in a row, our little fairytale river flooded like I’ve never seen before. Yesterday the rain had stopped, a tropical, moist day it was. And in the end a downpour. My eldest opened the backdoor and took off her clothes. ‘I’m taking a shower,’ she said, and so she did. Wonderful summer.

De laatste foto’s / Last photo’s

Het is zo’n mottige warme dag, dikke lucht als stroop, laaghangende wolken, dreigend onweer in de verte.
Mijn nieuwe oude korenbloemblauwe jurkje plakt overal aan me.
Ik sleep mijn zware Nikon mee naar het veld, zet hem op de uiterste rand van een zanderig aspergebed en stel de zelfontspanner in.
En nog een keer, maar dan op het hoogste punt van de composthoop. Ik hoor wat ritselen als ik met mijn blote voeten in sandalen de berg weer opklim om te kijken of de foto gelukt is. Het is een golf van spinnen die ik heb wakker gemaakt, ze waaieren met snelle tikkende pootjes uit over de droge bladeren.
Ik zak door mijn knieën in het hoge gras en zet de camera voor me op de vochtige grond en maak een lage foto van Marie tussen de veldbloemen.
Tja.
Ik héb wel een statief hoor.
Maar ja, dit is natuurlijk veel leuker.
Dan ga ik naar huis.
Als ik mijn cameratas op de tafel wil zetten, vergis ik me, ik zet hem er per ongeluk naast.
Bam, lens kapot.
Auw.
Na zes jaar fotograferen vanaf aspergebedden, composthopen, mossige weipalen, de vuilcontainer, de smerige klep van het konijnenhok, modderige bosgrond, schimmelige boomstronken, is hij dan nu kapot doordat ik hem onhandig neerzet.
Ik overweeg een potje te huilen.
Gelukkig ben ik een heel positief mens.
We hebben de foto’s nog.



My precious Nikon fell down from the table, the lens broke immediately. I feel a kind of guilty, it was my own fault, and my camera has been so dear to me in the past 6 years. It has a long history of taking photo’s out of the most strange and filthy places; I put it down everywhere to take selfies or just because I like the worm’s eye perspective. It has been on humid forest floors, mouldy stubs, the trash can. I considered a good cry. Anyway. The last photo’s I took with it turned out quite well. Lucky me.

De rode Moleskine-agenda / Moleskine weekly diary

Maandag had ik een overleg in Utrecht. Ik was wat vroeg en wandelde over de papierwarenafdeling van de Bijenkorf.
Ik vind zo’n groot warenhuis altijd ontzettend fascinerend. Een winkel die alles heeft, van parfum tot kleren en van pannen tot rugzakken. Dat kan toch nooit allemaal gekocht worden? Wat doen ze dan met de spullen die altijd maar overblijven, jaar in jaar uit, zo’n eenzame emaillen ketel die niemand wil hebben? Ik krijg daar altijd een beetje medelijden van. Al die chique blinkende buitenkant, de spiegels en opgepoetste vloeren, de winkeljuffrouwen in strakgestreken pantalons, het is allemaal een beetje een treurige dekmantel voor die ene zielige emaillen ketel die nooit verkocht zal worden.
Voor eeuwig op een rekje in de Bijenkorf.
Enfin.
Op de papierwarenafdeling was de agendatijd aangebroken. Ik heb een zwak voor agenda’s.
Het geeft me altijd het gevoel dat de wereld zo heerlijk overzichtelijk is.
Hapklare brokjes.
Er waren ook Moleskine-agenda’s. Zo mooi.
Wat zou het eens leuk zijn om nou zo’n agenda eens helemaal vol te mogen tekenen, iedere week in beeld. Bedacht ik, in een ver hoekje van mijn hoofd.
Nah.
IDEE! PING!
Ik kocht een mooie rode, met heel lichtgedrukte data, zodat ik er makkelijk overheen kan tekenen maar waarin de week toch nog goed zichtbaar is.
Ik vind het geweldig.

I bought a beautiful red Moleskine weekly diary. The lines and dates are printed very slightly so I can draw easily through the whole page, without loosing track of the weekly structure. I love the thin lines crossing my drawings, I don’t know why, but I do. My weeks in illustration, can’t wait to see this book in july 2015!

Over een verlovingsring en een dochter die haar vader overhoop schiet

Ik haal mijn telefoon uit de zak van mijn smerige tuinwerkbroek en kijk hoe laat het is.
‘Als we nog met de meisjes naar de kermis willen, moeten we nu stoppen,’ zeg ik tegen Man.
Man veegt met een modderige hand langs zijn voorhoofd. ‘Ik poot nog even deze rozenstruik en dan ruim ik op,’ antwoordt hij.
Ik breng alvast de hark naar de schuur en de snoeischaar, Man heeft de struik in de grond en veegt snel de oprit wat aan.
‘JA!’ roept hij dan. ‘JAA!’
Ik weet meteen waarom.
Het is echt waar. Daar op de oprit, aan de rand waar wat struikjes over de stenen groeien, blinkt zijn verlovingsring.
Precies vijf weken geleden was hij hem kwijtgeraakt bij het snoeien van de berk. We hebben alles afgezocht, de tuin en later het hele huis. Je wist maar nooit. Nergens was het ding te vinden, we hadden de hoop opgegeven.
Wat een pech.
Man schuift de modderige ring aan zijn vinger en kijkt triomfantelijk rond.
Ik geef hem een kus.
Dat is geluk.
Dan pakken we de fietsen en peddelen met de dochters naar het pleintje in ons dorp. Een kleine kermis is er, met een verfomfaaide carrousel en een schiettent, meer niet. Maar de meisjes hadden al twee dagen verlekkerd gekeken en vooruit, het hoort er een beetje bij.
Het Kleine Meisje mag op de draaimolen en De Grote Dochter wil wel eens schieten.
Ik kijk bedenkelijk.
Ik hou niet zo van oorlogstuig.
En bovendien, ze is heel lief, mijn Grote Dochter, maar geen toonbeeld van eh handigheid.
‘Als je de loop maar in de wagen gericht houdt,’ dreig ik.
Ze knikt gretig.
Dan schiet ze. Scheef. Ver naast haar doel. Tegen de wand van de kermiswagen.
PETS doet het kogeltje, hij kaatst af en schiet terug.
Tegen het hoofd van Man.
Hij kijkt stomverbaasd en grijpt naar zijn jukbeen, net onder zijn oog.
Er is geen bloed hoor, maar wel een klein gaatje in zijn huid en een rode ring erom heen.
‘Je hebt je vader overhoop geschoten!’ hinnik ik van de schrik.
We schieten in de lach.
‘Is dit nu geluk of pech?’ peins ik tegen Man, als we terug naar huis fietsen.
Man voelt aan zijn schotwond.
Het had veel erger kunnen zijn. Een gat in zijn oog.
Maar ja, het had ook niet kunnen gebeuren.
Misschien is het evenveel geluk als pech. Dan is de uitkomst neutraal.
En misschien is neutraal wel geluk.

Een sprookjes-SintJan / Magic

‘Maar wat gaan we dan doen vanavond met Sint Jan?’ vroeg Het Kleine Meisje.
Ze had vanochtend met de kleuters al gevierd, aan het kleine riviertje waar niemand het natuurlijk lang droog had gehouden. Alle kleuters moesten mee naar huis met modderige onderbroekjes.
‘Vanavond gaan we met de hele school picknicken aan het water,’ legde ik uit. We nemen allemaal een tas vol lekkers mee en dat delen we dan samen. Dan gaan we eerst dansen en er is muziek, een meneer met een viool, en dan mag je broodjes bakken in het vuur.’
Ze peinsde even en knikte.
Ja, dat klonk wel goed.
En zo kwamen we aan bij de open plek aan de Maas. Aan andere oever lag de stad te blinken in de zon. De kathedraal, de munsterkerk, het water schitterde en de lucht strakblauw.
Het Kleine Meisje, altijd op haar hoede voor groot en veel, stokte even.
‘Mama!’ riep ze verwijtend. ‘Mama! Je had niet gezegd dat alle papa’s en mama’s ook mochten komen!’
Ons kleine schooltje barst uit zijn voegen, nog nooit hadden we zo’n grote kring om te dansen.
Ik pakte haar even bij me. Maar daar zag ze haar liefste vriendje al, en weg was ze.
Het werd een sprookjes-SintJan.









Our midsummer evening was wonderful. We had a great picknick and everyone had brought along some food which we shared on large tables. The weather was great, we danced, the children played, there was violin music and some wine. Magic.

Voorbereidingen / Preparations

Ik neem het altijd nogal serieus, de bloemenkrans voor Sint Jan.
Dus ook dit jaar fietste ik met de meisjes naar een veld vol eh, nou ja, onkruid en laadde in opperste serieuziteit mijn rieten fietsmand vol met stengels cichorei en klaver.
Hatsjoe, deed De Grote Dochter.
HATSJIE, deed ik.
En Het Kleine Meisje krabde zich omstandig.
Brandneteltje.
We maakten alvast de basiskrans, morgenvroeg steken we er nog verse miniroosjes in, en vrouwenmantel en lavendel.
En dan is het zover.
(Mijn geïllustreerde tutorial voor het maken van een bloemenkrans vindt u HIER.)




Tomorrow we celebrate midsummer at the Waldorf school of our girls. Traditionally all the parents make their children a garland of fresh flowers and we all go to the woods to have a picknick. Today was all about the preparations, we can’t wait for tomorrow! (Some years ago I made an illustrated tutorial to make your own garland, you can find it HERE.

Blgrrh

Ik was een jaar of twintig toen ik op een literair festival was. Mijn grote idool Harry Mulisch was er ook, en tijdens de pauze van zijn optreden stond hij wat verloren tegen het podium aan geleund. Alleen.
Ik keek om me heen.
Mulisch. Alleen.
Ik bedacht me geen seconde, greep mijn Ontdekking van de hemel (die droeg ik in die dagen standaard in mijn tas mee. Echt. Ja. Echt.) en viste in mijn sprint een smerige oude nood-balpen op uit mijn tas.
‘Meneer Mulisch, wilt u mijn boek signeren?’ vroeg ik en ik bood hem de plakkerige balpen aan, mijn boek doelbewust opengeslagen op de pagina waar ik mijn naam had geschreven.
Hij keek me aan, zijn ogen stonden scherp maar ook een beetje waterig, zoals oude mannen dat soms hebben. Hij greep rustig naar zijn borstzak en haalde daar een dure vulpen uit.
‘Natuurlijk.’
Hij pakte mijn boek over en las mijn naam. ‘Heet jij zo?’ vroeg hij, stomverbaasd.
Mijn adem stokte. Dit was het moment. Nu moest ik praten. Over De compositie van de wereld. Over zijn weergaloze theorie van de Octaviteit die me zo mateloos intrigeerde. Over dat alles in de wereld in feite uit een en dezelfde grondtoon bestaat. Over dat ik het begreep, dat ik het doorzag.
Ik zei niks.
NIKS.
Misschien kwam er nog iets uit dat op ‘Blrghh’ leek, maar dat was dat.
Mulisch aarzelde nog even, keek me onderzoekend aan, zette toen in zwierige halen zijn naam in mijn boek en klapte het dicht.
Einde.
Gelukkig ben ik inmiddels zeventien jaar verder en evenzoveel jaren wijzer. Ik ben rustig, welbespraakt, evenwichtig en ontzettend in balans en ik kan me feitelijk niks meer voorstellen bij het idee dat ik zo onder de indruk van iemand was dat ik niks meer kon zeggen.
En zo was ik gisteren op een literaire avond. Connie Palmen in een zomergasten-achtige setting. De Kleine Tovenaar was mee, we dronken een wijntje na afloop, bespraken haar boeken en het leven en liepen aan het einde van de avond het kleine cafeetje uit. Bij de uitgang zat Connie nog wat na te borrelen.
‘Och, nu moet ik eigenlijk vragen of ze met me op de foto wil,’ giechelde ik, ‘om mijn Neerlandici-vrienden jaloers te maken.’
Nicole grijnsde. Ze greep me bij mijn arm en trok me mee.
‘NEENEENEE,’ brulde ik, hevig tegenstribbelend, ‘BEN JE GEK GEWORDEN?’
Ja.
Ze was gek geworden.
Ze tikte Palmen aan. ‘Octavie wil met je op de foto.’
Ik bevroor.
Connie keek vragend op, De Kleine Tovenaar was bij mirakel ineens nergens meer te bekennen.
‘Blrghh,’ deed ik.
Gelukkig was mevrouw Palmen, die overigens uit hetzelfde dorp afkomstig is als ik, iets eloquenter en hadden wij daarna een enorm filosofisch gesprek over de kern van de existentie (Och, Connie, ich bin auch van Berg, doe kins miene pap nog waal), de ambiguïteit in de literatuur en in De Wetten in het bijzonder (Jao, dae sting aan de sjool, mit dae baard) en nog zowat literaire zaken (Jao, ich doon hem de groete!).
Kortom.
Ik ben enorm gegroeid in de afgelopen zeventien jaar.
Dat ziet u wel.

Yesterday I attended a little literature festival and I met one of the best Dutch writers, Connie Palmen. My friend Nicole forced me to go talk to her and I kind of froze at first, but she happens to come from the same little village as I, so we soon found some stuff to talk about. And now I want to write a novel too, of course.