Toen ik de laatste keer terugkwam uit Finland had ik geen enkel souvenir in mijn tas.
Geen elandenwaarschuwingsdriehoek, geen Fazerchocolade of Pandadrop, geen Moomin-attribuut.
Ik had daarentegen mijn hele trekkersrugzak volgestopt met Fins brood.
Ja. Daar keken mijn familieleden ook wat raar van op, ja. Voornamelijk ook omdat het brood na uren in een vliegtuigruim niet noodzakelijk nog erg smakelijk was.
Het ding is, ik heb een brood-tic.
Ik kan daar niks aan doen. Ik ben gek op ambachtelijk kneden, op laten rijzen onder een propere theedoek, op de geur van gist en meel, op hoe mijn huis ruikt als er een brood in de oven zit.
In Finland hebben ze heel veel soorten brood die wij hier niet kennen. Taaie roggebroodjes, cracker-achtigen en een heel lekker licht brood met een aparte smaak.
Dat was mijn lievelings.
Het had even wat google-translatie nodig, maar daar vond ik dan toch het recept.
Kom daar maar eens vanzelf achter, wat perunamuusia is. Of ohra- tai vehnäjauhoja.
Hoe dan ook, het brood heet perunarieska, rieska is brood en peruna is aardappel.
Je maakt het dus van aardappels, supereenvoudig met het restje aardappels dat je over hebt van gisteren.
Eet smakelijk!

Category Archives: Limburgs Lekkers
Oehhhh! Lekker! Een puddingvlaai!

Een flaetje voor mijn oma
Toen we terugkwamen van vakantie hingen er zowat duizend rijpe bramen aan de struik. De boog over het witte poortje zakte bekans door, zo zwaar was het. Dus vandaag was riepen wij uit tot Bramendag. Eerst gingen we maar eens plukken, Het Kleine Meisje mocht bij Man op de schouders zitten en plukte zo de hoogste regionen. De Grote Dochter hield de vergieten vast. Dikke, donkere, sappige bramen, we plukten tot we paarse handen en paarse schorten hadden. Ik streek eens over mijn kin. Wat zou ik daar nu eens mee aanvangen? Zoveel kilo bramen, dat was wat te veel om in één keer jam van te maken.
Dan maar wat vlaaien erbij gemaakt.
Ik sjerde wat in mijn keukenkast. Ergens achteraan had ik toch nog… ja, ze lagen er nog.
Zes kleine vlaaienplaatjes. Mini’s.
Bij de echte Limburgse bakker kun je geen vlaaienpunten kopen, alleen een hele of een halve vlaai. Maar als je nu eens zin hebt in een klein stukje vlaai dan koop je een flaetje. Een vlaaitje. Een hele vlaai maar dan in de kaboutervariant.
Ooit had ik de bakvormen voor flaetjes gekregen van mijn ouders, ze komen nog uit de bakkerij van mijn opa en oma.
Ik vette de grote vlaaienplaat en wat kleine flaetjes, kneedde het deeg geduldig, terwijl Man jampotten uitkookte en bramensoep zeefde.
‘We gaan dalijk even langs bij oma, dan kan ik haar een flaetje brengen,’ zei ik, terwijl ik de pudding kookte.
‘Dat is goed,’ knikte Man.
En met een flaetje, rechtstreeks uit de oven, stapten we in de auto.
‘Och, een braomelteflaetje,’ zei oma.
Ik zocht in de kast van haar treurige verzorgingstehuis-appartementje naar wat glaasjes, wies ze gauw af en schonk wat drinken in.
‘Ik heb ze gemaakt met de bakvormen uit de bakkerij,’ toeterde ik in haar oor.
Oma is stokdoof.
‘Ik eet het bedijn op,’ mompelde ze.
Ze voelde met haar vinger vlug aan het deeg.
En zette het schoteltje met de vlaai daarna pront voor op haar rollator.
‘Ja, nog even wachten. Ik eet het bedijn op.’



Een verhaal over asperges
Vroeger.
Mijn oma droeg een witte schort, als een soort jasje. Ze scharrelde in haar groezelige keuken, ik zat erbij op een van de hoge krukken, maar niet die ene waar dat spijkertje uit stak. Aan de muur hing een emaillen plaat, bakkerij 1900-1950 stond erop, met een abstracte afbeelding van een bakker erop.
Oma schilde asperges, op een oude krant. Die was voor ons.
Geschilde asperges was een soort van heilig geschenk.
‘Hij is goed geschild,’ zei ze dan, zeker drie keer achter elkaar.
Ik had het na één keer ook wel begrepen en ik vroeg me af waarom ze het zo nadrukkelijk zei.
Ik overwoog de mogelijkheden.
Misschien omdat mensen haar niet geloofden als ze zei dat ze de asperges goed schilde.
Misschien omdat oude mensen dingen nu eenmaal altijd herhalen.
Misschien omdat het bij asperges erg belangrijk is dat er goed geschild wordt.
Het leek me allemaal plausibel.
Ik had namelijk zeven jaren geen asperges gegeten omdat ik één keer bijna gestikt was in een schilletje.
In kokhalzende paniek was ik naar de grootsteen gerend en had ik alles uitgespuugd.
‘Ik stíkte bijna!’ riep ik ontredderd.
‘Hm,’ zeiden mijn ouders. Ze haalden hun schouders op en aten door.
‘Ja ehecht!’ brulde ik, verbolgen over de nonchalance. Hun kind was bijna omgekomen door een aspergeschil en mijn ouders prikten gewoon onverstoorbaar in hun avondeten.
Nu schil ik zelf de asperges.
Met ijzeren precisie, op een oude krant. De onderste stukjes gaan in het steelpannetje, dat wordt soep.
Man komt huis, hij tilt de deksel van de pan.
‘Hm, lekker.’
‘Voor ik jou leerde kennen, had ik nooit asperges gegeten,’ vertelt hij.
Even later zitten we aan tafel.
Ik snij wat goeie boter over de dampende schaal.
‘Ik eet dat niet,’ zegt Dochter. ‘Daar zitten vellen aan.’
Man schept op. Ik proef.
De eerste asperges van het seizoen.
‘Hij is goed geschild,’ zeg ik.
‘Hij is goed geschild.’


Appelenvlaai
De grote Dochter had appelen gehaald bij het boertje.Ze trok de poort van de boerderij achter zich dicht en liep het erf over. Zo’n mooi erf met van die torenhoog gestapelde fruitkisten, omzoomd met fruitbomen aan de ene kant en een bos aan de andere kant.
Met dat ze wat uilig liep te dromen liet ze de zak knats op de grond vallen.
Alle appelen geblutst.
‘Nou, dan moeten we er maar iets van bakken hè,’ opperde ze glunderend.
Dus dat deden we dan maar.
Een echte appelenvlaai, met pudding.
Ingrediënten deeg: 250 gram bloem, 1/2 zakje droge gist of bakpoeder, kwart ei, 40 gram boter, 10 gram suiker, 1 dl melk, zout.
Ingrediënten pudding: 3 dl melk, 25 gram custard, 25 gram suiker.
Appelvulling: iets meer dan een halve kilo appelen, 50 gram suiker, citroensap.
Snij de appelen tot schijfjes en kook ze in een klein laagje water met wat suiker en citroensap. De stukjes moeten heel blijven. Ik weet niet of er iets is dat lekkerder ruikt dan gekookte appel. Dat ruikt naar vroeger en onbezorgd en vrijheid en buiten.
Kneed het deeg. Is het deeg te plakkerig, doe er dan meer bloem bij. Kneed langzaam en geduldig, hoe meer je kneed, hoe elastischer het deeg wordt. Echt, geloof uw Octavieke nu maar, het is net als bij een schilderij, hoe meer liefde je erin stopt, hoe mooier het wordt. Of lekkerder dan. Okee, vreemde vergelijking. Nouja. U bent slimme mensen, u zult wel begrijpen wat ik bedoel.
Rol het deeg en doe het in een ingevette vlaaienschaal. Rol de randen af met de deegroller en prik de bodem in. Dat is zo’n aangenaam klusje.
Dan die pudding, aiaiai. Dat is het zweterige gedeelte. De custard en suiker bijeendoen en aanmaken met een beetje van de koude melk. Rest van de melk koken en doe de aangemaakte custard erin. Laat doorkoken en afkoelen onder voortdurend roeren. Doe de pudding op de vlaai en leg daar de appelschijfjes op.
25 minuten bakken op 220 graden.
Zo ziet dat dan eruit.
Ik haalde de dampende vlaai uit de oven en Het Kleine Meisje stond met de neus vooraan.
‘Taart! Taart!’ riep ze.
Ze spoeide zich om haar stoeltje te halen om het zich eens goed te bekijken.
‘Zeg, dat is geen taart, hoor,’ bromde ik verontwaardigd.
Het wordt alsmaar Hollandser, dat nageslacht van mij.
Ondanks dat hun lijfjes toch grotendeels zijn opgebouwd uit vlaaien en balkenbrij en nonnevotten en moffelkook.
Ik vraag mij af wie ik daar eens op kan aanspreken.
