Dat het maar nooit voorbij mag gaan

Het was weer tijd voor het jaarlijkse schaapscheerfeest.
En dit keer was dan het peuterklasje van Het Kleine Meisje aan de beurt om te komen kijken.
Twaalf kleine wiebelpeuters in de wei.
Dat is weer heel andere koek dan die grote achtjarige lummels uit De Grote Dochters klas.
De concentratiecurve was denk ik zo ongeveer één minuut.
Daarna was het wel gedaan.
Maar ach, wat een feest.
Er werd gepicknickt en gespeeld, er werden liedjes gezongen over schaapjes en wol.
En op zo’n ochtend dan kijk ik naar al die kindjes.
De klasgenootjes van mijn Kleine Meisje, waar ze de komende jaren nog zoveel mee gaat beleven.
En dan knijpt mijn hart zich samen in dit ene moment.
Dat het maar nooit voorbij mag gaan.



Twee hagelwitte pinksterbruidjes

Gisterochtend leverde ik twee hagelwitte pinksterbruidjes af op school.
Witte kleedjes, witte vestjes, alles wit.
Ik had zelfs voor De Grote Dochter een witte legging aangeschaft, als u eens wist wat voor een innerlijke strijd ik daarvoor heb moeten voeren. Ik vind witte leggings een vreselijke zonde. Maar ja, het was koud. En ik kon het kind toch moeilijk in de blote benen naar school sturen. Dat was ook alweer zo wat.
Hoe dan ook, ik denk dat het een half uur heeft geduurd, die volledige staat van smetteloze witheid.
De Grote Dochter knoeide aardbeien.
Witte kleedje rood.
Het Kleine Meisje viel in de modderprak.
Witte maillotje zwart.
Och.
Dat maakt niet uit.
Zo op het mooiste feest van heel het jaar knijpen wij een oogje toe.
Fijne Pinksteren, lieve lezerkens!

De dag dat ik bijna ten onder ging aan mijn eigen wasgoed

Kent u die ene dag na de vakantie?
Die dag waarop zich alle huishoudelijke klusjes gezellig verzameld hebben, waar ze allemaal samen zijn gekomen en opgewonden staan te schreeuwen: doe ons nu! Doe ons nu!
Die dag was vandaag.
Het was de dag dat ik bijna ten onder ging in mijn eigen wasgoed.
Echt nee, dat was niet leuk meer, hoor.
We konden feitelijk niet meer in onze slaapkamer komen, ik had gisteren in een vlaag van haast en verstandsverbijstering over een kwijt wit hemdje dat ik pertintent nodig had voor een feest alle manden met schone was over de overloop uitgekiept.
Dat waren nogal wat manden.
Wassen is nooit zo’n probleem bij mij, de consternatie begint pas bij dat dat dan de kasten in moet.
Ik vind dat overigens een vreemde folklore hoor, dat was per se in kasten moet.
Waarom zou een kast beter zijn dan een mand?
Nou?
Hoe dan ook.
Ik had alle manden omgekiept.
Zo’n beetje naast elkaar, lekker uitgespreid, dan kon ik beter zien of het witte hemdje eruit kwam.
Uiteindelijk kwam het uit de laatste mand.
Ja.
Vooruit. Lang verhaal kort, toen kwamen we laat thuis en toen moesten we door zo’n zee van schone was waden.
Nee, dat kon zo toch niet langer.
Enfin, die ene dag na de vakantie dus dat alle klussen samenkomen.
En ook meteen die ene dag dat het huis er redelijk toonbaar uitziet.
Zelfs de kinderslaapkamers.
Vandaar de foto’s.

(Ik zei toch Rédelijk. Kom. Dit is voor mijn doen al heel wat, zeg.)




Uit het vakantiedagboek (II)

Nou goed, ik zal het maar verklappen.
We waren in zuid Limburg.
Dat had iets te maken met dat de eh rem van onze kermiswagen kapot was en dat we van de meneer van de garage niet te ver mochten rijden.
Uche.
Het was niet echt iets vreselijk ernstigs hoor.
Alleen maar dat we steeds als we remden bijna een caravan in onze nek hadden, dat was al.
Niet dat u zich zorgen gaat maken of zo.

Och, we deden niet zo ontzettend veel, deze vakantie.
Ik vlocht eindeloos bloemenkransen, dat is mijn hobby.

Ik leerde de kinderen op een grasspriet fluiten.
Of nee, dat zeg ik verkeerd, ik floot op een grasspriet en zaagde over hoe leuk dat is en de kinderen keken me meewarig aan.
Zo ging dat.
(Excuses voor de soepige outfit. Ja, ik had ook vakantie hè.)

We gingen op zondagochtend naar de antiekmarkt in Tongeren.
Dat is wel heel aardig daar. Zo bijna Parijsachtig. Er was alleen veel spul dat niet zo heel erg mijn smaak is, dat was dan weer jammer.

We genoten verder vooral van het buiten zijn.
Dat kunnen wij goed.

En in de nachten hadden we ook zo onze bezigheden.

Al met al was het heel fijn.
Een fijne vakantie, dat was het.

Uit het vakantiedagboek (I)

We waren een weekje kamperen.
In een kersenboomgaard.
Echt waar.
Er waren daar ronddwarrelende bloesems bij iedere windvlaag.

(Er was daar ook ene met een smerige cameralens, maar vooruit, we doen net of we dat niet gezien hebben.)
Er was een ploensbadje, er was een strakblauwe lucht.

Er was geen wifi.
Dat had ik expres zo uitgezocht hè.
De eerste dag zonder internet knars ik mijn tanden kapot van miserie.
En daarna gaat dat beter met mij.
Ik hield een klein getekend dagboekje bij, de afgelopen dagen.
Ik zal er hier eens wat dingskes uit neerzetten.
Van dat we naar de groeve gingen bijvoorbeeld.



Mag u nu eens raden waar we waren.
Succes.

Het lichte licht

Och, dat uitspringende groen.
Zo’n waas over de bomen, van die zachte pastels overal.
Het schelle lichte licht van de zon.
‘Mama, mag ik met mijn laarzen in het water?’ vraagt De Grote Dochter.
Ach ja.
‘Als het echt zomer is, dan ga ik met mijn bikini zwemmen!’ juicht Het Kleine Meisje.
En met dat ze het zegt glijdt ze van haar mossige boomstam af, plons in het water.
Man giet haar rode laarsje zo goed mogelijk leeg en zo lopen we verder.
Swopswopswop.
Zo gaat dat.
Dit is alles.
Dit is alles dat er is.





Sidderende stilte

‘Dus omaoma is dood.’
De Grote Dochter keek bedachtzaam.
Ik knikte.

‘Omaoma is dood en tante Liene krijgt een baby, zo gaat het in een rondje,’ merkte ze rustig op.
Vervolgens smeerde ze een boterham met kaas en trok haar schoenen aan om naar school te aan.
Zo gaat dat.

Ik probeer te denken aan het moment dat oma gisteravond overleed, ik was er niet bij.
In mijn hoofd stel ik me voor dat er een ontzettende grote gebeurtenis plaatsvond, een drukte van belang, een verandering van de lucht, een zoemende siddering.
In werkelijkheid gebeurde er natuurlijk juist niks. Het ultieme niks.
Niks dat je kan zien in ieder geval.
Een laatste ademzucht. En toen stilte.
Misschien een tocht langs de gordijnen.
Vreemd.