Nou goed, ik zal het maar verklappen.
We waren in zuid Limburg.
Dat had iets te maken met dat de eh rem van onze kermiswagen kapot was en dat we van de meneer van de garage niet te ver mochten rijden.
Uche.
Het was niet echt iets vreselijk ernstigs hoor.
Alleen maar dat we steeds als we remden bijna een caravan in onze nek hadden, dat was al.
Niet dat u zich zorgen gaat maken of zo.

Och, we deden niet zo ontzettend veel, deze vakantie.
Ik vlocht eindeloos bloemenkransen, dat is mijn hobby.

Ik leerde de kinderen op een grasspriet fluiten.
Of nee, dat zeg ik verkeerd, ik floot op een grasspriet en zaagde over hoe leuk dat is en de kinderen keken me meewarig aan.
Zo ging dat.
(Excuses voor de soepige outfit. Ja, ik had ook vakantie hè.)

We gingen op zondagochtend naar de antiekmarkt in Tongeren.
Dat is wel heel aardig daar. Zo bijna Parijsachtig. Er was alleen veel spul dat niet zo heel erg mijn smaak is, dat was dan weer jammer.

We genoten verder vooral van het buiten zijn.
Dat kunnen wij goed.

En in de nachten hadden we ook zo onze bezigheden.

Al met al was het heel fijn.
Een fijne vakantie, dat was het.

Category Archives: Uit in Zuid
Uit het vakantiedagboek (I)
We waren een weekje kamperen.
In een kersenboomgaard.
Echt waar.
Er waren daar ronddwarrelende bloesems bij iedere windvlaag.

(Er was daar ook ene met een smerige cameralens, maar vooruit, we doen net of we dat niet gezien hebben.)
Er was een ploensbadje, er was een strakblauwe lucht.

Er was geen wifi.
Dat had ik expres zo uitgezocht hè.
De eerste dag zonder internet knars ik mijn tanden kapot van miserie.
En daarna gaat dat beter met mij.
Ik hield een klein getekend dagboekje bij, de afgelopen dagen.
Ik zal er hier eens wat dingskes uit neerzetten.
Van dat we naar de groeve gingen bijvoorbeeld.



Mag u nu eens raden waar we waren.
Succes.

Het lichte licht
Och, dat uitspringende groen.
Zo’n waas over de bomen, van die zachte pastels overal.
Het schelle lichte licht van de zon.
‘Mama, mag ik met mijn laarzen in het water?’ vraagt De Grote Dochter.
Ach ja.
‘Als het echt zomer is, dan ga ik met mijn bikini zwemmen!’ juicht Het Kleine Meisje.
En met dat ze het zegt glijdt ze van haar mossige boomstam af, plons in het water.
Man giet haar rode laarsje zo goed mogelijk leeg en zo lopen we verder.
Swopswopswop.
Zo gaat dat.
Dit is alles.
Dit is alles dat er is.






Een gouden randje aan de dag
Ach ja, we liepen weer eens door het bos gisteren aan het einde van de middag.
De Grote Dochter in haar nette manteltje, ik weet ook niet zo goed hoe dat kwam.
Ik kneep gewoon mijn ogen dicht toen ze ermee in een boom ging klimmen.
Het Kleine Meisje fietste prompt tegen een paaltje, ik haakte met mijn oranje panty aan een braamstruik en de hond stak de tong naar ons uit.
Zo gaat dat.
Maar de zon brak zo net op het laatst nog door.
Een gouden randje aan de dag.
Ik denk dat we het verdiend hadden.






Alles is fantasie
In Limburg is de grens nooit ver weg.
Voor je het weet sta je met een voet in Duitsland.
Ik vind dat altijd een gek idee. Als ik zo’n oude grenspaal zie dan ga ik altijd met één been in Nederland staan en het andere over de grens en dan ga ik proberen te voelen of het ene been zich anders voelt.
Dat is natuurlijk niet zo, nee, dat weet ik ook wel, maar toch.

En dan ga ik om me heen kijken en dan verbaas ik me toch steeds weer dat het landschap er aan de andere kant van de grens er precies hetzelfde uitziet als bij ons.
Zelfs geen piepklein verschilletje.
De lucht en de bomen en de bladeren op de grond, alles is hetzelfde.
En toch is het een ander land.
Dat is toch gek?
Ach ja.

Aan ons vaste wandelpaadje langs de Duitse grens staat een oude boom.
In die boom zit een gat en in dat gat zit een ijzeren plaatje.
In dat plaatje staat een beetje slordig een verhaal gegraveerd. In 1768 werd er op de plek van de boom een jongen levend verbrand, hij heette Ambrosius en hij kwam uit Elmpt, dat is het dichtstbijzijnde Duitse dorpje. Hij had een hoeve in brand gestoken en daarom moest hij op de brandstapel en de hele Elmptse schooljeugd moest toekijken.
Dat waren nog eens onderwijsmethodes.

Je voelt dat nog wel zo’n beetje, als je daar staat, bij die boom.
Ik vraag me af waarom Ambrosius de hoeve in brand had gestoken. Ik probeer me graag voor te stellen dat hij een romantisch motief had, iets met een geliefde waar niemand iets over mocht weten. Of misschien moest hij een groot geheim bewaren.

Je weet het niet.
Alles is fantasie, aan het paadje langs de grens.
Na twee dagen glitters in de onderboks wil een mens wel eens wat anders
Ik vind het leuk hoor, de vastenavond, echt, heerlijk en zalig en geweldig.
Maar na twee dagen ben ik er wel tamelijk klaar mee.
Moe, plakhaar, twee zagende kinderen en glitters in de onderboks, nee, twee dagen kan ik dat aan, daarna wil ik per expresse terug naar de geciviliseerde wereld.

‘Ik moet dringend naar een museum,’ dreinde ik vandaag dan ook.
Man begrijpt mij gelukkig en wilde ook wel naar een museum.

De kinderen niet, maar hee, die wilden ook geen carnaval vieren, dus daar luisteren we gewoon niet naar.
Kom zeg.
Al dat grut met een eigen mening.

We gingen naar het Van Abbe-museum in Eindhoven.
Daar lopen de meningen nogal wat over uiteen.
De een vindt het niks, de ander vindt het eh bijna niks.

Nou. Ik vond het mooi.
Het gebouw is prachtig en inspirerend, dat is al tien punten op de Octavie-schaal.
Er is momenteel een geweldige expositie over Russische kunst en ik ben een ontzettende fan van Russische typografie, USSR-propagandapamfletten, de kleurencombinatie rood-zwart-grijs dus ik was een blij meisje. Nog een keer 10 punten erbij.
Het personeel is erg kindvriendelijk, er waren aardige suppoosten en spelletjes en kleurplaten, 50 punten.
Er was een Bart van der Leck, 70 punten.
Er was een goede museumwinkel met regionaal design, goede boeken, niet de standaard museumwinkeltroep, 100 punten.

Dus ja.
Doorslaand succes.
Ik sluit alleen niet uit dat de vastenavond daar iets mee te maken had.
Als je mij in Tsjernobyl had neergezet na twee dagen met glitters in de onderboks dan had ik dat misschien ook mooi gevonden.
Maar toch.
Ga erheen.

Een paar andere museumlogjes, voor als u cultuur leuk vindt:
De Dutchdesignweek
Museum Ludwig (Keulen)
Centraal Museum (Utrecht)
Prehistorisch dorp (Eindhoven)
De jaarlijkse vastenavondtwijfel
Ik knutsel met De Grote Dochter de laatste dingetjes aan haar carnavalskostuum, coördineer op afstand een meidendansje tijdens het schoolcarnaval en overleg in alle vaagte over al dan niet vieren dit weekend.
De Stijlgoeroe is in Amsterdam, De Ruige zit in Marokko, De Viltster, het Hippiebruidje en De Buurvrouw Van De Hondenfluisteraar gaan wel maar Man en ik houden voor de zekerheid een slag en alle rondzwervende virussen om de arm.
Het Kleine Meisje kwakkelt wat en ik heb een ding in mijn keel waar ik niet overheen kan gapen.
En carnaval is hier ten huize naar het schijnt het moment voor de jaarlijkse instort.
Fijn toch, dat we dat van te voren weten.
Kweek je ook geen illusies.
‘Je komt toch wel naar de carnavalsviering op school, hè, mama?’ vraagt De Grote Dochter.
‘Je moet wel verkleed komen,’ voegt ze er nog laconiek aan toe.
Ik denk aan mijn stinkende slipjas, de smerige rood-geel-groene sjaal en de geur van mottige schmink.
Ik weet het nog niet helemaal dit jaar, of het wat wordt.
Maar ach.
Dat denk ik ieder jaar.

De trend van het moment
‘Kunt u me vertellen wat dan precies de trends van het moment zijn?’ vroeg een mevrouw met interessant haar.
Het jonge meisje friemelde wat aan de 3D-printer die ze moest bewaken. ‘Eh ja, er zijn momenteel eigenlijk heel veel trends,’ stamelde ze.
Ik wierp een smerige blik op zowel de vrouw als het meisje en roloogde naar Man. En toen liepen we maar gauw verder naar de volgende kraam. Oegottegottegot laat de rest van de Dutch Design Week beter zijn dan dit bad ik tot de God van het Design.
De God van het Design was mij goed gezind en verhoorde mijn gebeden.
De Dutch Design Week was fantastisch.
Er waren meubels en kunstdingen, textiel en techniek. Oud talent en jong gedienden, afstudeerders en collectieven. Er was keramiek en hout, ambachtswerk en nieuwe materialen, vilt en vlas, nieuw klassiek en oude materialen in een modern jasje.
Ik kwijlde bij de stoelen en banken, de lampen en servies. Maar waar ik echt ontzettend van ging kwispelen waren nu net die producten die nog niet af waren. Prototypes en half afgewerkte dingetjes, de techniek nieuw en veelbelovend maar nog niet klaar voor de consument, alle wegen nog open.
‘We staan aan het begin van een nieuwe ontwikkeling en het kan nog alle kanten op,’ legde de jongen met brede armbewegingen uit.
Hij wees me hoe hij een muur vol lampjes kon aansturen met een afstandsbediening en vertelde iets over de techniek. ‘Als dit doorontwikkeld is kun je straks schilderen met licht.’
Schilderen met licht.
Nou, dan heb je me hoor.
Dat zit nu al de hele dag in mijn hoofd. Ik gooi al mijn potten verf het raam uit, ik ga schilderen met licht, hallelujah!
‘Ik geloof dat ik zo ga ontploffen van al dat gerei hier, meierde ik tegen Man.
Die stond net in het geniep een stoel op te meten. ‘Ik denk dat ik ook maar ontwerper word,’ zuchtte hij.
En toen kreeg ik een visioen van dat ik meubels ging uittekenen op grote vellen ruitjespapier en dat Man die dan ging timmeren in onze schuur die dan natuurlijk ook altijd opgeruimd was en dat we dan een enorm beroemd ontwerpersduo zouden worden.
Goed ja.
Volgend jaar staan wij ook op de Dutch Design Week. En dan komt u langs bij onze kraam en dan vraagt u wat nou precies de trends van het moment zijn en dan zeg ik heel uitgestreken: oh, er zijn momenteel eigenlijk heel veel trends.
Ja.
Ik heb er nu al zin in.








Een piepklein wereldje
We luiden onze zomervakantie symbolisch uit.
Aan het riviertje waar we deze zomer zoveel tijd hebben doorgebracht.
Ik lig in de avondzon op mijn buik in het gras, onder een hoge boom.
In de verte hoor ik De Grote Dochter schaterlachen. Ze heeft een jongetje opgescharreld waarmee ze zwemwedstrijdjes doet.
Het riviertje lijkt heel ondiep maar op sommige plekken, in uitgesleten bochten, kun je precies zwemmen.
En dat gaat zo lekker, met de stroom mee.
De kinderlach klatert over het wateroppervlak, ik soes een beetje weg.
Als ik mijn ogen opendoe zie ik vlak voor me een klein, glimmend groen kevertje. Het is bijna volmaakt rond.
Het kruipt over een brede spriet, met zijn pootjes klampt het zich aandoenlijk vast aan het gras. De pootjes bewegen vlug, in een vast ritme, het ziet eruit alsof het haast heeft maar toch ook weer niet.
Als het beestje bijna bovenaan de punt is, kan de grasspriet het gewicht van de kever niet meer dragen.
Traag en soepel buigt hij om, de kever stopt met lopen en veert mee op het zacht wiegende gras.
Het lijkt alsof hij wat verbaasd om zich heen kijkt.
Dan keert de kever om, hij wandelt rustig terug naar beneden.
Even soepel buigt het sprietje gras weer terug rechtop.
Het kevertje verdwijnt in de wirwar van takjes en boomwortels, het grasje wuift onaangedaan in de wind.
Soms gebeuren er grote dingen in een piepklein wereldje.




Het eeuwige water
We hadden een avond voor ons tweetjes.
‘We kunnen naar de film,’ opperde ik.
Maar ik hoorde zelf de twijfel in mijn stem.
‘Uiteten?’ zei Man.
Maar het klonk niet overtuigend.
We zwegen even. Ik had mijn benen over zijn schoot gedrapeerd en bestudeerde de stoppeltjes op zijn kin.
Er begon wat grijs doorheen te schijnen.
Zo zaten we daar.
Toen stonden we op.
En zonder verder iets te zeggen floten we Marie, stapten in de auto en reden naar het schoonste plekje van gans Limburg.
Waar het zacht ruisende water van de beek louterend werkt op de ziel.
We voelden de koude stroom om onze kuiten.
‘Dit water zal er eeuwig zijn,’ zei ik. ‘Wij zijn slechts een klein obstakel waar het moeiteloos omheen kabbelt.’
Ik keek naar de ronde golfjes die mijn benen veroorzaakten in de krachtige loop van het beekje.
Man knikte.
Hij gaf me een kus.






