Foto 1: ik ben een nerd, een doorgewinterde twitternerd. En dus móest ik deze button bestellen bij Larie.net. Als een kind zo blij. Follow me! Foto 2: Een foto van mij als peuter en wijlen mijn oma. Ze is al meer dan twaalf jaar dood maar zo af en toe krijg ik nog wel eens een ja, berichtje van haar. Foto 3: het is druk in De Kabouterfabriek. Had u de vernieuwde site al gezien? En het laatste logje met de prachtige foto’s? Gauw even kijken hoor, ik ben er zo trots op.
Monthly Archives: April 2012
Zever over één Romeinse schoen
Die enorme lap mooi leer lag al een tijd te jeuken in de bijkeuken. Maar nu ging ik daar dan toch eindelijk schoenen van maken. Of ja, één schoen, de ander moet nog. Ik ben echt zo content hè, dat ik nu mijn eigen Romeinse schoen heb, dat ik daar al de hele middag mee door het huis loop, een beetje mank, zo maar één schoen, maar dat deert niet.
Ik vraag mezelf sterk af of ik nog ooit wel eens pumps zal gaan dragen en nette pantykousen en kokerrokken en lippenstift, of dat ik ooit in mijn leven nog wel eens naar de kapper zal gaan, maar ja, dat zijn zo van die vragen, die krijg je niet 1,2,3 beantwoord hè.
Nee.
Wat ‘ne zever, ik schei daarmee uit.
En ja, ik had ook plinten kunnen verven in de tijd dat ik een Romeinse schoen maakte.
Maar was onze maatschappij dáár nu blijer van geworden?
Dat bedoel ik.







(De handleiding voor het zelf maken van Romeinse schoenen lees je hier.)
Lentebloemen uit de pers
Bloembollen en kinderen
‘Ik heb Aap in mijn appel ge…eh…beten,’ zegt De Grote Dochter.
Ze houdt een afgekloven appel vast aan het steeltje, triomfantelijk bungelt hij voor mijn gezicht.
Ik grinnik. Ik vind dat grappig.
Als kind deed ik dit soort dingen ook, en eigenlijk ben ik er nooit mee opgehouden.
Het maakt me nieuwsgierig naar wat Dochter later gaat doen, als ze volwassen is.
‘Een kind is als een bloembol,’ zei De Viltster laatst tegen me.
Alles zit er al in, het hele pakketje vol genenmateriaal, het staat al vast welke bloem eruit zal groeien, welke kleur hij zal hebben en hoeveel blaadjes. Je kunt het alleen nog niet zien, je moet gewoon afwachten op het moment dat hij gaat bloeien.
Ik bekijk me mijn Dochter, ze is weer op haar stoel gekropen, haar lange benen onder zich gevouwen.
Geconcentreerd bijt ze nog meer figuren uit de appelschil.
Die ene grotemensentand in haar enorme fietsenrek leent zich er uitstekend voor.
Mijn Dochter is geen kind voor pokon of kunstmest, ze laat zich niet dresseren.
Ze kiest haar eigen groei.
Een lange, stevige steel, diepgroene bladeren, vol en weelderig.
Het enige dat ik kan doen is haar goede grond geven, en nu en dan wat water.
Haar in het zonlicht zetten wanneer ze dat wil, en in de schaduw wanneer ze daar behoefte aan heeft.
Ik geef haar geduld en tijd, een zee vol rust en tijd.
Uit de bloembol groeit een prachtige plant.
Die de lust naar bloei welhaast doet vergeten.

Een verhaal over asperges
Vroeger.
Mijn oma droeg een witte schort, als een soort jasje. Ze scharrelde in haar groezelige keuken, ik zat erbij op een van de hoge krukken, maar niet die ene waar dat spijkertje uit stak. Aan de muur hing een emaillen plaat, bakkerij 1900-1950 stond erop, met een abstracte afbeelding van een bakker erop.
Oma schilde asperges, op een oude krant. Die was voor ons.
Geschilde asperges was een soort van heilig geschenk.
‘Hij is goed geschild,’ zei ze dan, zeker drie keer achter elkaar.
Ik had het na één keer ook wel begrepen en ik vroeg me af waarom ze het zo nadrukkelijk zei.
Ik overwoog de mogelijkheden.
Misschien omdat mensen haar niet geloofden als ze zei dat ze de asperges goed schilde.
Misschien omdat oude mensen dingen nu eenmaal altijd herhalen.
Misschien omdat het bij asperges erg belangrijk is dat er goed geschild wordt.
Het leek me allemaal plausibel.
Ik had namelijk zeven jaren geen asperges gegeten omdat ik één keer bijna gestikt was in een schilletje.
In kokhalzende paniek was ik naar de grootsteen gerend en had ik alles uitgespuugd.
‘Ik stíkte bijna!’ riep ik ontredderd.
‘Hm,’ zeiden mijn ouders. Ze haalden hun schouders op en aten door.
‘Ja ehecht!’ brulde ik, verbolgen over de nonchalance. Hun kind was bijna omgekomen door een aspergeschil en mijn ouders prikten gewoon onverstoorbaar in hun avondeten.
Nu schil ik zelf de asperges.
Met ijzeren precisie, op een oude krant. De onderste stukjes gaan in het steelpannetje, dat wordt soep.
Man komt huis, hij tilt de deksel van de pan.
‘Hm, lekker.’
‘Voor ik jou leerde kennen, had ik nooit asperges gegeten,’ vertelt hij.
Even later zitten we aan tafel.
Ik snij wat goeie boter over de dampende schaal.
‘Ik eet dat niet,’ zegt Dochter. ‘Daar zitten vellen aan.’
Man schept op. Ik proef.
De eerste asperges van het seizoen.
‘Hij is goed geschild,’ zeg ik.
‘Hij is goed geschild.’


Fietsen met mijn dochter
‘Kom, we gaan een stuk fietsen, zei ik tegen De Grote Dochter.
We pompten de banden van haar oude fiets in de schuur bij opa en oma op, bliezen het stof van het zadel en vertrokken.
Naar de kerk, de statige kerk aan het riviertje, en dan achterlangs, langs het stille klooster.
De beukenhaag van de kloostertuin was doorschijnend geworden, al het dorre blad was weggewaaid maar de nieuwe blaadjes waren nog niet gekomen.
In de bocht stonden we even stil, ik tuurde door de haag. ‘Kijk,’ wees ik Dochter. ‘Kijk, daar loopt een begijn door de tuin.’
En ja, als je goed keek, zag je door de kronkelende beukentakken een fragiel nonnetje met een witte kap.
Dochter keek tot het witte kapje achter jong groen verdwenen was. Toen sloot ze haar ogen.’Ruik, ik ruik de lente,’ zei ze. ‘De pinksterbloemen en de boterbloemen. En luister, de bijen en de vogels en de rivier.’
We staken over, het zandpad in, naar het varkensdijkje.
‘Hier kwam ik vroeger heel vaak,’ wees ik.
Vroeger moest je over de sloot springen om op het dijkje te komen, nu was er een aarden walletje gestort.
Bij het varkensdijkje moet je maar gokken of je erdoor kan, als het veel geregend heeft loopt alles onder, dan neemt het moeras de mensenpaden over. Dan breidt het zich uit als een reus die zich lomp en geeuwend uitrekt.
We fietsten weer verder. Ik probeerde het moeras te fotograferen maar het lukte niet.
De diepdonkere oneindige warboel van bomen en planten, vol boomwortels en zompwater liet zich maar moeizaam vastleggen.
Misschien probeerde ik een gevoel op een plaatje te krijgen en was ik telkens teleurgesteld als ik het niet terug zag.
Een gevoel van oer en altijd, van iets, ja, bijna geestelijks.
Soms is het niet gek dat op bepaalde plekken kerken staan.
Langs het water fietsten we terug, langs het witte kasteeltje, voorbij de bronnen in de diepte.
‘Ik voel me zo sterk en zo helder,’ zei Dochter, toen we de fiets weer terug in het schuurtje zetten.
‘Ik ook,’ zei ik.





Woensdag
(Foto 1: Het Moestuinkabouterpakket stond in Tuin & Co, het bewijsnummer was geadresseerd aan De Kabouterfabriek, daar moet ik om lachen, Foto 2: eerste probeersels voor het nieuwe kabouterproject, Foto 3: al het voorgekiemde plantenspul hangt me binnen de keel uit maar door de kou kan het nog niet naar buiten, Foto 4: als je tekent voor Libelle Nieuwscafé krijg je Libelle’s thuisgestuurd. En ik hou van Libelle, van het concept, van het idee, van wat het uitdraagt.)
De gele woonkamer
‘Ik weet het eigenlijk toch niet zo met geel,’ zei Man ineens.
We parkeerden voor de bouwmarkt en ik knipperde nerveus met mijn ogen.
Geen geel? Geen geel? Al weken zouden we de woonkamermuur hartstikke lekker enorm geel gaan verven, eruit met al dat brave tijdloze gebroken wit, snotmiljaar, hoe truttig is gebroken wit eigenlijk!
‘Maar schatje…’ begon ik een tikje radeloos. ‘Maar liefje, wat wil je dan?’
Ik ben niet zo goed met veranderingen, maar dat dacht u zeker al wel.
Man wreef eens over zijn kin, gooide zijn lange armen wat vertwijfeld in de lucht, keek eens lukraak om zich heen en bleef zo wat naar de auto staren.
Waarna hij de legendarische woorden sprak: ‘wat dacht je van de kleur van de auto?’
Nou, toen staalde mijn gezicht wel op oorlog, kan ik u zeggen.
Vol afgrijzen keek ik naar onze afgeragde wagen van een luguber Oost-Europees merk.
‘Ja, niet dat metallic dan hè,’ voegde de mens er vlot aan toe.
Nee.
Koekoek.
Ik grauwelde, beende de bouwmarkt binnen en rukte wat kleurstaaltjes uit het rek.
Groen, groenig, vaal groen, mosgroen, oudgroen en alle schakeringen daartussen.
‘Ik vind het leuk,’ zei Man enthousiast.
Ik wreef over een matte groen, beetje ouderwets.
Het was dan wel geen geel, maar ja.
Geel was ook maar zo geel, feitelijk.
Goed.
Zo kwam het dus dat de woonkamer nu de kleur van onze vieze auto heeft.

Maandag
Geen brave braadworstjes
Dus toen gingen we maar weer eens naar het museum. Niet naar een Nederlands museum natuurlijk want het was museumweekend en dan moet ik daar zeker een beetje tussen het plebs gaan staan en de krets krijgen van de tirvelende drukte en tot slot totaal overspannen op de bank eindigen met een zakje om in te ademen, neen.
Wij gingen naar een Duits museum.
Dan moesten we misschien wel betalen maar hee, voor die twaalf luizige euro’s ga ik wel een keer minder naar de eh nagelstudio.
Ha.
Ha.
Oh.
Na gut.
Wij gingen dus naar Museum Abteiberg in Mönchengladbach.
‘Wunderbar!’ riep ik uit, toen we de grandioze, helderwitte entree betraden.
En Man knikte tevreden.
De mevrouw achter de kassa keek wat benepen naar onze kinderen. Maar dat kwam vast omdat ze zo leuk vond, die kleine Holländische käsekopfchen.
En vort, daar gingen we, trapje op, trapje af, zaaltje in zaaltje uit.
‘Ooooh, mooi!’ riep De Grote Dochter naar een soepblik van Warhol.
‘Oooohhh moow!’ papegaaide Het Kleine Meisje bij een Bart van der Leck.
Ja, het was een schattig tafereel.
Maar wat zag ik daar toch steeds in mijn ooghoek? Het zou toch niet zo zijn dat die ene suppoost ons volgde? We liepen de volgende zaal in. De suppoost liep ons achterna. Ik versnelde mijn tempo wat, de suppoost struikelde hijgerig het hoekje om. Het Kleine Meisje kwam wat dicht bij een schilderij, ‘Nicht anfassen!’ brulde de suppoost paniekerig.
Nou jaaaa.
Nou jaaaa!
Nu moet ik eerlijk zeggen dat mijn kinderen geen brave braadworstjes zijn die in een museum met de handjes op de rug gevouwen ieder schilderij stilletjes observeren. Maar het zijn toch ook geen losgeslagen batjes met ADHD op hun voorhoofdjes gestempeld.
Ik was dus nicht ganz amusiert, neh.
Ik hanteer toch wel een bißchen de meinung dat je kinderen in een museum zeer warm moet onthalen.
Met het oog op cultuur en dinges.
Hoe dan ook.
Ik raad u ondanks alles toch van harte aan om het museum te bezoeken, de collectie en het gebouw zijn het echt waard.
En neem ook vooral de kinderen mee en geef ze net voor vertrek iets met veel suiker en kleurstoffen, zo’n roze zuurstok van de kermis, ik noem maar wat.
Verhoogt de museumpret enorm.

















