‘Maaaaaar, Octavie, dat kun je toch niet meeeeenen, je bent Neerlandicus, in hemelsnaam!’
Man rolde met zijn ogen en hief zijn armen ten hemel.
Ik keek verstoord op van mijn boek.
Jawel.
Deel één van de Vijftig Tinten-trilogie.
De Kleine Tovenaar had me de stapel met een knipoog in de handen gedrukt en aarzelend was ik begonnen. En ja, ik moest me even over de vreselijke slechte zinsopbouw en grammatica en woordkeuze en stijl en innerlijke godinnen en toestanden en nouja, vreselijk slechte álles, heen zetten, ja, dat wel.
Maar hee, kom op vrouwen, u heeft het ook allemaal gelezen, die hele grammatica interesseert je na drie hoofdstukken en wat zweepjes echt geen bietje meer, laten we eerlijk zijn. Na drie hoofdstukken wil je gewoon Christian Grey snikkend in je armen nemen, hem door zijn koperkleurige haren woelen en eh…ja.
Uche.
Dinges.
Hele eh literaire dingen doen.
‘Je zou je doctorandustitel moeten inleveren, dit is een literatuurwetenschapper onwaardig,’ mopperde Man.
Hij schudde afkeurend zijn hoofd.
Ik stopte even met lezen.
Mijn innerlijke godin werd wakker en tikte tegen haar cocktailglas.
Ik grijnsde en sloeg mijn boek met een veelbelovende klap dicht.
Ach ja.
De overige delen van de trilogie las ik overigens zonder enig gemekker van Man’s kant uit.

Monthly Archives: August 2012
Herfstlucht
De nachten worden frisser, de ochtendlucht is kruidig.
Iedere ochtend moet ik bij de deur van de schapenstal een nieuw spinnenweb weghalen.
Ik voel de eerste herfst binnensluipen, zachtzoetdonker, omhullend en veilig.
Ik hou van de herfst.
Herfst geeft me lucht, ik ga weer openstaan na een zomer vol benauwende vrijheid.
Mijn kroontjespen en penseeltje maken als vanzelf hun eigen kunst.

De inkt vindt haar eigen weg, de wind blaast allerlei nieuwigheden in mijn hoofd.

Hier en daar pruts ik wat.

Of maak ik iets moois voor mensen die ik liefheb.

In de herfst mag ik oogsten.
De andere boom
Het zat al lang in mijn hoofd om eens iets met herfstbladeren te doen. Iets met vormen, knippen, ik wist het niet goed.
Voor de zekerheid raapte ik de afgelopen weken hier en daar al wat blaadjes op en stopte ze in de pers.
Vandaag haalde ik ze eruit, aarzelde wat met een scherp schaartje en knipte toen zonder omhaal wat vloeiende vormen.
Ik plakte ze heel lichtjes vast, fotografeerde ze op een witte achtergrond in goed licht en begon er wat om heen te tekenen.
De grootste kunst is niet het tekenen, de grootste kunst is de eenzaamheid van de wereld zonder goedkeuring binnen te gaan.

Het hele plaatje scande ik, en knipte en plakte digitaal hier en daar wat illustraties en tekst bij de gefotografeerde bladeren.

En vandaag ga ik u eenmaal het ruwe origineel laten zien.
Omdat ik dat wil bewaren voor later, omdat ik het zelf fascinerend vind om te zien hoe ik werk als alle knoppen in mijn hoofd afgesteld staan op een basale frequentie.
En omdat ik de ruwe versie misschien nog wel mooier vind dan het gepolijste eindproduct.

De theepot-tas
‘Neem je díe tas mee?’ vroeg De Viltster.
We stonden op het punt om naar Amsterdam te gaan en we moesten ons spoeien voor de trein.
‘Wat is er mis met mijn tas?’ vroeg ik, en ik trok mijn wenkbrauwen op tot het niet verder ging.
Mijn goeie tas! Mijn Marimekko-tas! Mijn tas die ik in Lapland had gekocht in een winkeltje bij de poolcirkel, net boven Rovaniemmi in Finland, ja, dat zegt u allemaal niks, maar snotnondeju, ik was gehecht aan mijn tas!
‘Octavie, die tas ziet er niet uit,’ sprak De Viltster bars. ‘Als jij die tas omhangt, dan ga je maar alleen naar dat hele Amsterdam.’
Ik grauwelde zo wat en bekeek mijn tas van een afstandje.
Ja, hij was misschien wat vaal. En wat oud. En ook een beetje smerig op de hoekjes.
Maar hee, we hadden het hier over mijn lievelingstas hè!
De Viltster trommelde met haar vingers op mijn keukentafel en wierp mijn tas vuile blikken toe.
‘Mohhh,’ zuchtte ik, en ik graaide mijn chique lederen zakentas van de kapstok en beende de deur uit.
‘Mooi zo,’ sprak De Viltster content.
‘Als je maar goed weet dat jij nu een nieuwe tas voor mij gaat vilten,’ mopperde ik, onderweg naar het station.
‘Met alle plezier, zolang je dat vale Finse mormel maar thuis laat,’ grijsde De Viltster.
En zo kwam het dat ik vandaag een nieuwe tas kreeg.
Een theepot-tas.
Nououou.
Hoe moooooi is die!

De Viltster maakt deze tassen, en heel veel andere spullen, overigens ook in opdracht.
Kijk maar eens op www.wolenzoo.nl.
Kunt u ook met een theepot om gaan lopen, nah, dat zou nog eens wat zijn!

En oh ja, ook nog maar een echt fotooke.
Ojong!
Zo schoon als mij dat staat hè, zo’n theepot!

Een boekje voor een lief meisje
Ikmagniettekenenikmagniettekenen was mijn mantra aan het begin van de afgelopen zomervakantie.
Het was misschien wat druk geweest de afgelopen maanden. En die laatste weken moesten er nog zoveel kleine dingetjes afgemaakt worden. Nee, ik moest echt even tot rust komen.
Maar goed. Deze vakantie ging ik eens even helemaal alles maximaal loslaten. Ik ging luieren en aan het zwembad liggen en geen poot uitsteken en drankjes drinken met een parasolletje en flaneren en zo’n zijde-achtig lapje stof om mijn bips draperen en een grote zonnehoed op mijn hoofd zetten.
Ja.
En alleen maar dingen doen die ik leuk vond.
En vooral niet tekenen.
En dan aan het einde van de vakantie zou ik dan helemaal, totaal uitgerust zijn en fris en monter en met gezellige zomersproetjes en mijn haar zat ineens ook goed en ik was zomaar ook nog hip geworden.
Nah!
Maar ja.
Toen bleek ik dus helemaal geen aanleg te hebben voor luieren. En ook niet voor flaneren. En hip werd ik al helemaal niet, hoe lang ik ook wachtte.
En ik verveelde me te pletter, feitelijk.
En mijn tekenhand begon vreselijk te jeuken.
Ik keek ontredderd om me heen.
En toen besloot ik dat als ik alles mocht doen wat ik leuk vond, ik dan wel nu een boekje mocht tekenen.
En toen rende ik naar de kast, pakte mijn tekenspullen en tekende in één opgekropte zwaai een verjaardagsboekje voor een lief meisje.
Zo.
Gelukkig is de zomervakantie voorbij.
Mag ik tenminste weer legaal boekjes maken.
De hemel zij geprezen.
Nog een keer over een onderboks, of het gebrek daaraan
‘Ik wil eigenlijk ook zwemmen,’ zei Man.
Hij keek verlangend naar De Grote Dochter die proestend baantjes trok in het riviertje.
Ik haalde mijn schouders op en plonsde met mijn voeten in het water vanaf de steile kant.
‘Dan doe je dat toch?’
Man keek hulpeloos om zich heen. ‘Maar ik heb geen zwembroek bij me,’ fluisterde hij.
‘Dan zwem je in je onderbroek, stadsjongen,’ grinnikte ik.
Het was al een flink eind in de avond, maar nog steeds erg warm. De zon zakte al achter de bomen en in het bos was geen mens te bekennen.
‘Eh,’ zei Man.
Ik keek geamuseerd naar hem.
‘Eh, ik heb eigenlijk geen onderbroek aan onder mijn korte broek, die was nat geworden in het zwembadje en toen heb ik hem maar snel uitgedaan en ja,’ bloosde Man.
‘Hahahaha!’ deed ik.
‘Nou, dan zwem je in je blote vod,’ opperde ik.
Ik keek hem verwachtingsvol aan.
Man liet zijn blik over de open plek in het bos glijden.
De zon glansde in een prachtig strijklicht over de boomtoppen in de verte, het water scheen diepdonkerblauw.
Er was niemand, behalve wij.
Vliegensvlug schopte hij zijn schoenen uit, schoot uit zijn korte broek, rende naar de oever en sprong met een enorme boog in de rivier.
Zo doen wij dat.
En neen, daar zijn geen foto’s van, wat denkt u zelf.
Maar wel wat foto’s van vandaag, die zijn ook fijn.
De krimi van de gouden onderboksjes
‘Ik heb nieuwe onderbroeken nodig,’ zei De Grote Dochter.
Ze deed haar jurk omhoog ter bewijs en ja. Daar zou ze wel eens gelijk in kunnen hebben. Al wat nog aan de bips hing was een uitgelubberde en vaalgewassen Hema-onderboks waar ze toch volstrekt niet meer mee ondersteboven aan de schoolrekstok kon hangen.
En zo fietste ik even naar de stad. Want het was lekker koopavond, tralalaa. En kocht een stel hele schattige bloemenonderboksjes bij de C&A.
Met strikjes! En dingskes! Drie voor zeven euro! Nah, zo lekker goedkoop ook!
Content stond ik bij de kassa en rekende af. Met mijn bungelende tasje ging ik de roltrap af. Er stond een meisje voor me, ze had een ontzettend lelijk blauw shirt aan en een heuptasje om. Een heuptasje, ojongojong, die toeristen van tegenwoordig hebben ook gene smaak meer, hè mensen! Midden op de roltrap ging het wicht een dansje doen. Ik bestudeerde haar vettige haar en vroeg me af welke diagnose ik eens zou stellen. We hadden hier welzeker met een halve zool te maken.
Onderaan de roltrap struikelde ze. Mijn hemel, onhandig ook nog, die halve zool. Ik botste tegen haar op en voelde dat de persoon achter me weer tegen mij aan botste. Het was een rommelige sociale situatie en ik hou al niet van mensen en al helemaal niet als ze me aanraken en ik vond ze allemaal stinken en ik maakte me vlug uit de voeten.
En dus wilde ik in de volgende winkel een behaatje kopen.
Ja, het was De Dag Van Het Nieuwe Ondergoed ja.
En toen was mijn beurs weg.
WEG.
Naaahhhh.
Nondeju!
En ik belde Man en die blokkeerde mijn rekening.
Voor de zekerheid.
Maar het was al te laat.
Ze hadden ook mijn pincode gezien.
Binnen vijf minuten was onze rekening maximaal leeggeroofd.
En dan bedoel ik ook echt maximaal. Heel erg maximaal.
Snotterend zat ik op het politiebureau en deed mijn verhaal.
‘En ik had juist zo’n mooi nieuw retro beursje gekohohocht!’ jammerde ik. ‘Ook weg!’
De kordate agente keek begripvol en haalde een bekertje water.
‘En ik wilde gewoon een paar goeiekohohohope onderboksjes halen!’ meierde ik.
‘Eh ja,’ glimlachte de agente.
‘En nu zijn die C&A-onderboksjes van zeven euro gewoon gouden onderboksjes,’ besloot ik mijn ellende.
Kortom.
Ja.
Het was een hele toestand.
Gelukkig heb ik nog een paar mooie foto’s van vorige week.
Sluit wat lekkerder af dan al die miserie.
En nu vooral niet denken aan welke onderboksen wij onder die kleedjes aanhebben.
Nee.



Het Wijde Wereld Reispakket
Toen De Viltster en ik op een vroege ochtend in mei naar onze geheime kabouterplek gingen, hadden we slechts een heel vaag idee over ons nieuwe kabouterpostpakket.
We hadden wel zo wat hardop gepeinsd tijdens de drukke maanden van het Moestuinpakket, maar we konden het echte idee maar niet vangen.
Aarzelend spraken we over woorden als Zien. En Kijken.
Maar hoe of wat dat wisten we nog niet.
‘We moeten terug naar de basis,’ zei De Viltster.
‘Naar wat voor ons de kern van het bestaan is. Daar is het altijd goed.’
Ik knikte.
We zwegen en ademden de tintelende ochtendboslucht in.
Ik keek naar het groene mos op de boomstammen, naar de overgebleven herfstbladeren op de grond die zachtjes ritselden.
Dit was toch alles, dit omvatte alles.
Ieder steentje, ieder blaadje, ieder druppeltje, ieder piepklein kevertje, het omvat de kern van de wereld.
Als je de dingen om je heen ziet, als je de schoonheid kan waarnemen, dan zie je alles.
Dan vind je geluk.
Kijk om je heen. Dit is de wijde wereld, dit is jouw wereld. Waar je ook bent, ga zitten en ontdek wat jouw wereld je te bieden heeft. Soms maak je de grootste ontdekkingstochten op het kleinste stukje aarde, en ligt de wereldse weidsheid precies daar waar je nu bent.
Ga naar het einde van de straat, bij dat veldje of die mooie struik, kijk in je tuin. Ga eens zitten bij dat stukje gras of in het park om de hoek. Kijk. Kijk en je zult zien dat er een hele wereld verstopt zit vlak bij jou.
Alles is een reis, voor wie het wil geloven.
Elk plekje is speciaal.
Jouw wereld is wijder dan je denkt.
Uit: De Wijde Wereldreis, het boekje bij Het Wijde Wereld Reispakket.
Op www.dekabouterfabriek.nl kun je alles lezen over ons nieuwe kabouterpostpakket. Over de inhoud, de gedachte erachter, de visie.
Veel plezier.
Een piepklein wereldje
We luiden onze zomervakantie symbolisch uit.
Aan het riviertje waar we deze zomer zoveel tijd hebben doorgebracht.
Ik lig in de avondzon op mijn buik in het gras, onder een hoge boom.
In de verte hoor ik De Grote Dochter schaterlachen. Ze heeft een jongetje opgescharreld waarmee ze zwemwedstrijdjes doet.
Het riviertje lijkt heel ondiep maar op sommige plekken, in uitgesleten bochten, kun je precies zwemmen.
En dat gaat zo lekker, met de stroom mee.
De kinderlach klatert over het wateroppervlak, ik soes een beetje weg.
Als ik mijn ogen opendoe zie ik vlak voor me een klein, glimmend groen kevertje. Het is bijna volmaakt rond.
Het kruipt over een brede spriet, met zijn pootjes klampt het zich aandoenlijk vast aan het gras. De pootjes bewegen vlug, in een vast ritme, het ziet eruit alsof het haast heeft maar toch ook weer niet.
Als het beestje bijna bovenaan de punt is, kan de grasspriet het gewicht van de kever niet meer dragen.
Traag en soepel buigt hij om, de kever stopt met lopen en veert mee op het zacht wiegende gras.
Het lijkt alsof hij wat verbaasd om zich heen kijkt.
Dan keert de kever om, hij wandelt rustig terug naar beneden.
Even soepel buigt het sprietje gras weer terug rechtop.
Het kevertje verdwijnt in de wirwar van takjes en boomwortels, het grasje wuift onaangedaan in de wind.
Soms gebeuren er grote dingen in een piepklein wereldje.




Het peuterhuisje
Mijn beide dochters zijn hun schoolcarrière begonnen bij Juffie A.
Het juffie van het houten peuterklasje dat hoort bij onze Vrije School.
Juffie A heeft ogen waar sterretjes in stralen, een stem die hoge liedjes zingt en een zachte hand die onbuigzame peuterbolletjes in de goede richting weet te draaien.
‘Juffie A wóónt in het houten huisje,’ zei De Grote Dochter altijd zeer stellig.
Waarop Man en ik altijd stilletjes glimlachten bij de gedachte aan Juffie A die ‘s nachts haar slaapmutsje zou opzetten, een grote kaars zou uitblazen en in het houten kinderbankje in de klas zou gaan slapen, onder de grote gehaakte sprei.
Het kleine houten huis van Juffie A staat aan de achterkant van het schoolplein. Op het dak groeit gras, voor het raam hangen zijden gordijntjes. De peutertjes koken met emaillen pannetjes en helpen juf met broodjes bakken en soep maken.
‘Kijk dan eens, wat een schattige muurschildering,’ zei Juffie A op een dag tegen De Viltster en mij.
Ze liet ons een foto zien van een wit huisje waar bloemenranken op de buitenmuren waren geschilderd.
‘Ja, enorm schattig,’ kweelden De Viltster en ik in koor.
‘Zou dat moeilijk zijn om zoiets te maken?’ informeerde Juffie A nonchalant.
‘Nee, ben je gek, dat is hartstikke simpel!’ riep ik uit.
‘Aha,’ zei Juffie A.
Ze trommelde met haar vingers op de tafel.
Pomtidom.
Enfin, u raadt het al, het einde van het liedje was dat De Viltster en ik de afgelopen dagen over de plavuizen kropen om grasjes en bloemetjes en paddenstoelen en kabouters op het houten peuterhuisje van Juffie A te pinselen.
Maar wat werd het mooi.
Ik zette de laatste stipjes op de hoed van de paddenstoel.
En terwijl ik rechtop ging staan en mijn penseel aan mijn schort afveegde, kneep ik mijn ogen tot spleetjes en keek ik uit over het schoolplein.
Het grasveld met het picknickkleed, de zoet spelende kindjes in de zon, de kleuterjuf even verderop die haar stofdoek uit het raam uitklopte.
Dit zijn de dingen waar ik zo blij van word.





























