Mijn pen is mijn zwaard

‘Hoehoehoe!’ stuiterde De Grote Dochter de kamer door.
‘Wiwiwi!’ tetterde Het Kleine Meisje er opgewonden achteraan.
En dat om acht uur ‘s ochtends, hè.
Ik hield mijn bonkende snothoofd voor de zekerheid maar vast, dat ging er zo nog afrollen, dat voelde ik al wel.
‘Zeg, vinden jullie het Michaëlsfeest misschien wat spannend?’ informeerde ik.
De Grote Dochter haalde haar schouders op en sloeg haar haren naar achter. ‘Neuh, hoezo?’
‘Nee, woezo?’ echode Het Kleine Meisje er tjirpend achteraan.
Toen vond ik het welletjes. Ik hees het gepeupel in hun regenlaarzen en vieze vesten en leverde alles af op school.
Daar hoehoehoe’de en wiwiwi’de de ganse goegemeente van alle spanning.
Ik kreunde wat, maar ja, dat hoorde verder natuurlijk niemand.
Hoe dan ook, de meisjes hadden een heerlijk Michaëlsfeest, De Grote Dochter ging naar de hei en vond het zwaard en was daarmee de held van de dag, Het Kleine Meisje kreeg een dennenappel-vliegertje van juffie en nu is juffie A nog heiliger dan ze al was.
En ik?
Ik sjerde wat in mijn houtschijfjescollectie, pakte mijn kroontjespen en tekende wat, ging een stukske lopen met onzen Marie en mijmerde zo eens wat over Michaël, de aartsengel waar dit feest zeg maar over gaat. Dat zwaard van Michaël is het symbool van deze Michaëlstijd, de herfsttijd, de donkerte die we ingaan. Het is een zwaard om mee te strijden, een zwaard van krachtig ijzer, voor moed en voor weloverwogenheid. Een zwaard om knopen door te hakken, om keuzes te maken. Om niet mee te verzinken in het afsterven van de natuur moet de mens in de Michaëlstijd zelfbewust zijn, krachtig zijn. De sterkte in zichzelf aanspreken.
Dat gaat lang niet altijd vanzelf, dat kan zo wel even duren eer de moed weer is gevonden.
Ach ja, zo mijmerend kwam ik weer thuis.
Ik zette mij achter mijn werktafel, nam mijn pen weer op en doopte hem in de inkt.
Het scherpe ijzeren puntje kraste over het hout van het boomstammetje.
Ik hou zo van de Michaëlstijd.
Het is de natuurlijke parallel van mijn tekenwerk.



Heerlijke Herfstrecepten

Of we niet iets moesten met al die recepten van de herfstbazaar, vroeg de bazaarcommissie zich af.
Ieder jaar wordt er een herfstbazaar georganiseerd op het kleine schooltje van de dochters, waar we dan de ganse dag zitten te spinnenwielen en te breivorken en er zijn kraampjes met wolviltspullen in depressieve kleuren en geitenwollensokken te koop.
En dan is er in de zaal een restaurant. Daar kun je dan pompoensoep eten of een stuk biologisch rechtsdraaiende tofutaart of steenharde zemelenkoekjes waar je iemand mee kan doodknuppelen, u kent het wel.
Zucht.
Grapje hè.
Grapje.
Hoe dan ook.
De recepten dus.
De bazaarcommissie wapperde met een map vol ranzige, vetbevlekte briefjes voor mijn neus en keek me verwachtingsvol aan.
Oh. Het scheen me toe dat ze dachten dat ik daar iets mee moest doen.
Nah. Vooruit dan maar.
Ik was toch niet druk of zo. Neen.
En zo kwam het dat ik weer eens een receptenboekje samenstelde.
Is mijn hobby. Lekker. Boekjes maken.
Het is maar een klein boekje hoor, er staan maar tien recepten in, maar ach, het is gewoon voor de leuk hè.
Voor een biologische appel en een vrije uitloop-ei te koop dus op de herfstbazaar.
7 oktober, vanaf 11.00 uur op Vrije School Christophorus in Roermond.
Ik ben er ook. (Die met die trui van gemacrameed lamahaar.)
Gezellig.


Een mevrouw met een hondje

Het zat al heel lang in mijn hoofd om iets heel groots te maken voor op de muur. Geen schilderij maar iets eh échts, van papier en inkt. In mijn onderhoofd waren het soldaatjes die ik wilde schilderen, ik weet ook niet waarom, maar soldaatjes dus. Of nee, niet echt soldaatjes, maar van die Russische legerofficieren met van die bontjes op hun hoofd, nouja, doet er ook niet toe. De soldaatjes kwamen er niet, wat er wel kwam was een mevrouw met een hondje. Kun je zo hebben.



Soms droom ik dat ik in een stad ben. Dan sta ik op een plek, iets buiten het centrum. Ik kijk naar de grond, er liggen saaie grijze plavuizen. Het is een paadje, tussen wat gemeentegroen door. Ik til mijn hoofd iets op. Het paadje loopt naar een gebouw. Ik kan de deur al zien. Het gebouw is een museum. En ik mag er niet in. En dat is wat ik het liefste wil. Dat museum in.

Ach ja.

Waarom u uw kind nooit iets moet willen leren

Het was weer eens tijd voor een paar nieuwe panty’s in hysterische kleuren en dus moesten we naar Bels. Want in Bels weten de mensen nog wat goede panty’s zijn mensen, daar kunnen we in Nederland nog wat van leren. En er moesten nog Spaanse worsten komen en kaas en nouja, het was dus gewoon hoog tijd voor een zondagochtendje boodschappen doen op La Batte.
La Batte dat is de markt in Luik en Luik is mijn lievelings, dat weet u al wel.
‘Mag ik dan op La Batte wat kopen van mijn spaargeld?’ vroeg De Grote Dochter met twee smekende oogjes.
Ze had haar spaarpot omgekiept en schraapte een tientje aan klotergeld bijeen.
Nou vooruit.
Als ze het zichzelf zou regelen, mocht ze kopen wat ze wilde, beloofden Man en ik, met in ons achterhoofd een pedagogische les over de waarde van geld en dinges.
Dochter stemde gretig in.
En daar gingen we.
We liepen langs kramen met exotische kleren en ik wees hoopvol op een Chinees jurkje.
Nee. Hoefde ze niet.
We kwamen langs winkeltjes met mooie sjaaltjes, armbanden en kettingen.
Dochter schudde haar hoofd.
Ik kocht mijn hysterische panty’s, Man schuimde bij de kraam met kruiden uit verre landen. We zagen groenteverkopers met druiven als pruimen en de meest vreemdsoortige kolen. ‘Die kweekt ze vast in Tihange,’ grinnikte ik.
Ondertussen keek Dochter om zich heen, haar beursje vast in haar hand geklemd.
We waren inmiddels aanbeland bij de levende have, de vechthanen, de eenden, de kuikens, de duiven.
Ineens werden haar ogen groot. ‘Die kosten precies een tientje! Die wil ik!’ riep ze.
Een kist tot de rand toe vol parkietjes stond op de grond. De beestjes kwetterden dat het een aard had.
Ai.
Domdomdommmm van ons.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Maar ik mocht kopen wat ik wilde!’ riep Dochter uit.
Woesj, Daar ging de pedagogische les, zo het raam uit.
Ik deed een summier uitlegje over het fokken en verhandelen van vee, net zover tot er wat wit om het neusje verscheen en ze die hele parkieten al niet meer kon aanzien.
En toen zocht ze zich voor straf een felroze pluchen kefhondje op batterijen uit met oplichtende oogjes dat wel zo lelijk was dat Man en ik van ellende niet wisten waar me moesten kijken.
Maar goed.
Daar konden we toch met goed fatsoen niks meer van zeggen.
Nee.

De gebatikte bloes, Nana Mouskouri en het hippie-bruidje

En toen hadden we gisteren zomaar een bruiloft.
Een hippiebruiloft. Want de bruid en bruidegom zijn hippies. Geen vieze hoor, nee, hele mooie en propere hippies, ik wist dat ook niet, maar ze bestaan dus.
‘Wat moet ik aaahaaaaan?’ kreunde ik al dagen. En ik trok mijn hele kledingkast overhoop in de hoop daar als bij mirakel ineens ploef een gebatikt bloesje te vinden. Ja, een mens kan maar geloven in wonderen hè. Maar goed, dat gebatikte bloesje kwam maar niet en toen deed ik mijn jaren zeventig jurk aan maar die zat niet lekker en toen worstelde ik me maar in mijn groenwollen rokje en deed ik mijn haar los.
Geloof me. Als ik mijn haar los heb dan krijg je een soort ontploft effect dat er feitelijk wel heel hippie-esk uitziet.
‘Aaaaaaaaahhhh je hebt je haaaaaar looooos!’ brulden De Stijlgoeroe en De Viltster en De Buurvrouw Van De Hondenfluisteraar en De Ruige en al wie daar waren in koor toen ik het bruiloftstoneel betrad.
Gottegottegot wat een toestand.
Ach, en daar was het bruidspaar, en ze waren zo mooi, zo mooi, en er was een Mexicaanse trouwjurk en een ringenceremonie en vuur en Ruigoord-hippievrienden en lampionnetjes en een betoverende stadstuin en een tipi en, voilà, het was gewoon een sprookje en natuurlijk moest ik weer vreselijk huilen en dronk ik zo wat wijntjes en ontplofte mijn haar nog een beetje meer.
En in de loop van de avond deed De Stijlgoeroe haar muiltjes uit en raakte De Buurvrouw Van De Hondenfluisteraar haar stem kwijt en besloot De Viltster na lang peinzen dat mijn haar op Nana Mouskouri leek en biechtten we De Ruige op dat we hem De Ruige noemen.
Vond hij geen punt verder.
‘Och, wat bijzonder om erbij te mogen zijn,’ lispelde ik tegen het prachtige hippiebruidje.
En het hippiebruidje aaide even over mijn fluwelen jasje en gaf een kneepje in mijn arm.
En ik kneep mijn ogen tot spleetjes en keek zo eens rond, de tuin door, naar de donkere lucht met rode vuursplintertjes, en ik luisterde vaag naar de gesprekken om me heen.
‘Waar denk je aan?’ vroeg de Buurvrouw Van De Hondenfluisteraar.
‘Aan dat dit zo fijn is,’ antwoordde ik.
Ja.
Zo fijn.

Er werd hard gewerkt, in het atelierke

We gingen knutselen met de kindjes, De Viltster en ik.
Voor de herfstbazaar op school binnenkort.
Het is namelijk de bedoeling dat de kinderen onze kabouterwinkel gaan bemannen aangezien wijzelf workshops Wijde Wereldknutselen geven.
Ja, zakendoen is all about delegeren mensen.
‘Als we achter de kraam moeten staan dan willen we ook centjes,’ zei De Viltdochter met een eigenwijs gezicht.
‘Ja, dat willen we,’ vond De Grote Dochter.
‘Dan moeten jullie maar zelf spulletjes maken om te verkopen naast de kabouterpakketten,’ opperden wij.
Dat was een goed plan.
En zo knutselden we een hele middag met de blagen.
Met houtjes en viltjes en kralen en eikels, och och, wat waren wij weer goed bezig.
‘Mogen we dan nu gaan spelen?’ vroegen de harde werksters al een paar keer verlangend.
‘Spélen?’ mopperde ik, ‘werken! Dat moeten jullie!’
Snotmiljaar, en dat moet later de zaak gaan overnemen.
Maar hoe dan ook.
Leuke dinges, dat wel.





Het wonder in de appel

De appelenboom hing kletvol dit jaar. Dikke, ronde appelen, de takken hingen ervan door.
‘Vandaag gaan we appeltjes plukken,’ zei ik tegen Het Kleine Meisje.
‘Jaaaaa!’ brulde ze, en ze rende naar buiten.
Ik deed voor hoe het moest.
‘Eerst pak je de appel vast, dan draai je tot het steeltje loslaat,’ legde ik uit.
Heel opvoedkundig.
Ik was dan ook erg content met mezelf.
Helaas is Het Kleine Meisje niet gevoelig voor welke vorm van opvoeding dan ook.
Daar blijft niet zoveel op plakken, zeg maar gerust.
Ongeduldig trok ze aan een appel, de hele tak kwam mee.
Krak, daar ging mijn appelenboom, stukken en brokken.
Ojongojongojong.
Welnu. We deden ons een net mandje bijeen.
‘Mag ik er nu een opeten?’ vroeg het dwergje gretig.
Dat mocht.
We zetten ons aan de keukentafel.
‘Let op,’ zei ik, en ik sneed een dikke appel horizontaal door.
‘Ik legde de twee helften op een bordje.
‘Wat zie je nu?’
Het Kleine Meisje boog zich over de appel heen.
‘Een ster!’ riep ze verwonderd uit.
Juist.
De vijfster.
Het symbool voor de mens in het universum, voor kennis en het eeuwige leven.
Dat zit zomaar verstopt in een appeltje.
Ja mensen, wonderen zijn overal hoor.
Daar hoeft u niet voor naar Lourdes.
Of Hans Klok ofzo.



Het kunstenaarsmeisje

‘Oma, oma, gaan we nu dan schilderen?’
De Grote Dochter verheugt zich al het hele weekend op een schilderles van oma A.
‘Dat is goed,’ zegt oma.
Samen zetten ze alles klaar. De verf gaat op twee bordjes, oude kleren aan, penselen uitzoeken.
Oma A doet een Vrije kunstopleiding en legt geduldig van alles uit.
‘We gaan zomaar schilderen, iets dat niks voorstelt. Alles kan en alles mag.’
Ze sleept de schildersezel naar het midden van de werkkamer en Dochter installeert zich met rode wangen op de hoge kruk.
‘En als je straks klaar bent, dan is het altijd mooi, hoe het er ook uitziet, want jij hebt het gemaakt,’ benadrukt oma rustig.
‘Jajajajaja,’ mompelt De Grote Dochter.
Ik geef haar gauw een kus en vertrek.
Soms is mijn creativiteit een te zware last voor haar, mijn tere kind.
Als ik na een uurtje of wat de kamer weer binnenkom, tref ik een grommend meisje aan.
Ik pak haar vast, ze schudt haar hoofd, keer op keer.
‘Neeneenee. NEE!’
Ik aai haar haar.
Ze huilt.
Helemaal leeggeschilderd.
Daar op dat doek, daar zit haar ziel.


DK

Ik weet begot nog niet waar ik de tijd vandaan ga halen maar ik geloof toch echt dat De Viltster en ik een nieuw project gaan starten.
De Kabouterfabriek voor volwassenen.
Ja, het schijnt dat de volwassenen zich wat achtergesteld voelden door de kabouters, vandaar.
Iets met papier en met textiel en handgemaakt en anders en design en niet van dat alles wat nu in is maar wel mooi en vooral dingen waar je iets mee kan.
Want we houden van praktisch.
‘En dan gaan we dit maken, en dat maken en zus en zo en en en!’ jodelde De Viltster.
‘Wiiiiii wiiiiii,’ brulde ik.
Zo doen wij namelijk als we enthousiast zijn. En dan wapperen we met onze hoofden en zien er heel belachelijk uit.
We zijn ook wel eens niet enthousiast hoor.
Dan zitten we te siepogen en te meieren.
Komt ook voor.
Hoe dan ook.
‘We moeten een naam hè, voor het nieuwe merk,’ zei ik.
‘Oh ja,’ zei De Viltster.
En we waren een korte wijle stil.
‘Ehhhmmmm,’ deed ik.
‘Eeeeeeeeeeehm,’ deed De Vilster.
‘Ik weet niks,’ zeiden we in koor.
Alle namen waren stom en suf en afgezaagd en we wilden niks Engels en niks met dubbele medeklinkers op het eind en niks met Hip erin en we wilden iets eenvoudigs.
‘Nou, simpel, het wordt een afkorting voor De Kabouterfabriek,’ besloot De Vilster.
En dat werd het.
DK.
Ach, we zijn zo gewoon gebleven hè.



Hallo wereld!

Zoooo, wij deden weer eens lekker een linkse hobby vandaag.
Iemand moet het doen hè, iemand moet het doen, mensen!
We gingen de etalages voor de Kinderboekenweek maken bij De Kleine Tovenaar.
‘Hoe ga ik die enorme schijf eigenlijk meekrijgen naar de boekwinkel?’ vroeg ik De Viltster peinzend.
Want ja, in het koekblikkerige smerige wagentje van De Vilster kon ik het ding onmogelijk vervoeren.
Een mens zou nog eens wat oplopen in dat ding.
Schurft.
Of builenpest.
Of iets met beestjes.
Hoe dan ook.
‘Lopend natuurlijk,’ bulderde De Viltster, en ze sloeg zich van de pret op de knieën.
Maar ik zag mezelf al lopen door de straat en dat er dan net een windvlaag kwam of een wolkbreuk en dat dan al die schattige papieren huiskes instortten tot papier maché-kledder, nee, dat leek me maar niks hè.
Nou ja, lang verhaal kort, het ding kwam natuurlijk alijk aan bij De Kleine Tovenaar en daar konden we beginnen.
En we hebben onszelf weer overtroffen hoor, al zeg ik het zelf.
Met geblokte tafelkleedjes en rood-witte stippen en nouja, een enorm smakelijk geheel zeg maar.
‘Och och, wat maken jullie toch altijd een mooie etalage,’ zeiden de voorbijgangers goedkeurend.
‘Ja hè, ja hè!’ glunderden wij content.
En toen gingen we vlaai eten boven in de keuken.