Een verhaal over asperges

Vroeger.
Mijn oma droeg een witte schort, als een soort jasje. Ze scharrelde in haar groezelige keuken, ik zat erbij op een van de hoge krukken, maar niet die ene waar dat spijkertje uit stak. Aan de muur hing een emaillen plaat, bakkerij 1900-1950 stond erop, met een abstracte afbeelding van een bakker erop.
Oma schilde asperges, op een oude krant. Die was voor ons.
Geschilde asperges was een soort van heilig geschenk.
‘Hij is goed geschild,’ zei ze dan, zeker drie keer achter elkaar.
Ik had het na één keer ook wel begrepen en ik vroeg me af waarom ze het zo nadrukkelijk zei.
Ik overwoog de mogelijkheden.
Misschien omdat mensen haar niet geloofden als ze zei dat ze de asperges goed schilde.
Misschien omdat oude mensen dingen nu eenmaal altijd herhalen.
Misschien omdat het bij asperges erg belangrijk is dat er goed geschild wordt.
Het leek me allemaal plausibel.
Ik had namelijk zeven jaren geen asperges gegeten omdat ik één keer bijna gestikt was in een schilletje.
In kokhalzende paniek was ik naar de grootsteen gerend en had ik alles uitgespuugd.
‘Ik stíkte bijna!’ riep ik ontredderd.
‘Hm,’ zeiden mijn ouders. Ze haalden hun schouders op en aten door.
‘Ja ehecht!’ brulde ik, verbolgen over de nonchalance. Hun kind was bijna omgekomen door een aspergeschil en mijn ouders prikten gewoon onverstoorbaar in hun avondeten.
Nu schil ik zelf de asperges.
Met ijzeren precisie, op een oude krant. De onderste stukjes gaan in het steelpannetje, dat wordt soep.
Man komt huis, hij tilt de deksel van de pan.
‘Hm, lekker.’
‘Voor ik jou leerde kennen, had ik nooit asperges gegeten,’ vertelt hij.
Even later zitten we aan tafel.
Ik snij wat goeie boter over de dampende schaal.
‘Ik eet dat niet,’ zegt Dochter. ‘Daar zitten vellen aan.’
Man schept op. Ik proef.
De eerste asperges van het seizoen.
‘Hij is goed geschild,’ zeg ik.
‘Hij is goed geschild.’