In Kölle

Dat de hele vakantie op afgelegen plattelanden doorbrengen en tussen de erpelen kamperen en zonsondergangen in weidse weilanden zien en uren rijden en dan drie man en een paardenkop tegenkomen, dat is natuurlijk prachtig, maar soms wil een vrouw even iets meer dan dat. Een stukje stad, een stukje museum, ja, gewoon een stukje cultuur nondeju. Wij vrouwen hebben ook zo onze behoeften, hoor. Wij willen soms gewoon even winkelen, feitelijk.
En dus troonde ik de mens mee naar Keulen.
Keulen is geweldig.
Keulen heeft een beetje iets Berlijnerigs, en als u Berlijn een beetje kent, dan weet u wat ik bedoel.
Iets grootstedelijks met tegelijkertijd een kalme, rustige, haast nonchalante sfeer.
We deden Museum Ludwig. Ach, dat was zo schoon, zo schoon. En zo groot.
Veel Picasso’s, Matisses, Picabia’s, Lichtensteins en nog zowat meer van die namen.
‘Eigenlijk is het raar,’ zei ik tegen Man.
‘Hm?’
‘Nou, iemand begint dus op een gegeven moment met iets nieuws, een nieuwe schildertechniek. Dat hij bijvoorbeeld alles heel vervormd gaat schilderen, of met kubistische vormen.’
‘Ja,’ zei Man, hij bekeek net een Picasso en krabbelde even in zijn haar.
‘En dan zijn er altijd van die naäpers die dat na gaan doen,’ ging ik door.
‘Eigenlijk zou alleen degene die het bedacht heeft in het museum mogen hangen, die naäpers zouden we eruit moeten schoppen,’ zei ik, nadenkend.
‘Hm,’ bromde Man.
‘Maar ja, zonder de naäpers was dat hele kubisme geen stroming geworden, dan was het gewoon een eenling gebleven die gekke schilderijen maakte,’ dacht ik door. ‘En misschien was het dan wel nooit bekend geworden.’
‘Kortom, een kunstenaar heeft naäpers nodig om groot te worden,’ grijnsde Man.
Ik keek hem aan.
‘We moeten de naäpers dankbaar zijn,’ besloot ik.
En zo is het.
En toen gingen we streuselkuchen eten bij een backstube in de Altstadt.
‘Wat een fijne dag,’ zei ik tegen mijnen mens.
‘Een hele fijne dag,’ zei mijn lieve mens terug.