Nog een keer over een onderboks, of het gebrek daaraan

‘Ik wil eigenlijk ook zwemmen,’ zei Man.
Hij keek verlangend naar De Grote Dochter die proestend baantjes trok in het riviertje.
Ik haalde mijn schouders op en plonsde met mijn voeten in het water vanaf de steile kant.
‘Dan doe je dat toch?’
Man keek hulpeloos om zich heen. ‘Maar ik heb geen zwembroek bij me,’ fluisterde hij.
‘Dan zwem je in je onderbroek, stadsjongen,’ grinnikte ik.
Het was al een flink eind in de avond, maar nog steeds erg warm. De zon zakte al achter de bomen en in het bos was geen mens te bekennen.
‘Eh,’ zei Man.
Ik keek geamuseerd naar hem.
‘Eh, ik heb eigenlijk geen onderbroek aan onder mijn korte broek, die was nat geworden in het zwembadje en toen heb ik hem maar snel uitgedaan en ja,’ bloosde Man.
‘Hahahaha!’ deed ik.
‘Nou, dan zwem je in je blote vod,’ opperde ik.
Ik keek hem verwachtingsvol aan.
Man liet zijn blik over de open plek in het bos glijden.
De zon glansde in een prachtig strijklicht over de boomtoppen in de verte, het water scheen diepdonkerblauw.
Er was niemand, behalve wij.
Vliegensvlug schopte hij zijn schoenen uit, schoot uit zijn korte broek, rende naar de oever en sprong met een enorme boog in de rivier.
Zo doen wij dat.
En neen, daar zijn geen foto’s van, wat denkt u zelf.
Maar wel wat foto’s van vandaag, die zijn ook fijn.










Het eeuwige water

We hadden een avond voor ons tweetjes.
‘We kunnen naar de film,’ opperde ik.
Maar ik hoorde zelf de twijfel in mijn stem.
‘Uiteten?’ zei Man.
Maar het klonk niet overtuigend.
We zwegen even. Ik had mijn benen over zijn schoot gedrapeerd en bestudeerde de stoppeltjes op zijn kin.
Er begon wat grijs doorheen te schijnen.
Zo zaten we daar.
Toen stonden we op.
En zonder verder iets te zeggen floten we Marie, stapten in de auto en reden naar het schoonste plekje van gans Limburg.
Waar het zacht ruisende water van de beek louterend werkt op de ziel.
We voelden de koude stroom om onze kuiten.
‘Dit water zal er eeuwig zijn,’ zei ik. ‘Wij zijn slechts een klein obstakel waar het moeiteloos omheen kabbelt.’
Ik keek naar de ronde golfjes die mijn benen veroorzaakten in de krachtige loop van het beekje.
Man knikte.
Hij gaf me een kus.






Een sprookje

In de bossen waar de boomwortels groeien in de grond van mijn familie, daar loopt een geheim paadje.
Een klein, smal paadje, van donkere bosgrond, door het dichte struikgewas.
Je moet weten dat dat paadje er is, anders zul je het nooit vinden.
Aan het einde van het geheime paadje zit een geheime poort.
Een zware, ijzeren klap-poort, die je met al je gewicht open moet trekken.
Als je eenmaal door die poort bent, dan ben je in het aller-allermooiste stukje Limburg dat er is.
Een open plek in het bos, aan een klein, kronkelend riviertje met kraakhelder water en kiezels op de bodem.
De oevers zijn soms hoog en afgekalfd, en dan weer laag en ondiep.
Aan de ene oever groeien weelderige, hoge varens en donkere, oneindige bomen, aan de andere oever bloeit een overdaad aan kleurrijke bloemen.
Er zijn maar weinig mensen die weet hebben van dit wonderschone plekje, dat bewaakt wordt door twee traag kauwende, schonkige paarden.
En die mensen die er wel van weten, hebben elkaar de eed van geheimhouding gezworen.