U kunt zich vast nog wel herinneren dat Het Kleine Meisje haar carrière als mens begon als een officiële praatweigeraar.
Tot haar tweede jaar kwam er geen stom woord uit het kleine snaveltje.
Niks zei ze, helemaal niks.
Nououou.
Laten we het zo zeggen: inmiddels is daar verandering in gekomen.
Er heeft een kentering plaatsgevonden, zeg maar.
Dat wicht kán me zwegelen, jong.
Ik word er soms tureluurs van.
Die gaat me tekeer. Zwetsen en wauwelen van heb ik jou daar. En dan vaak ook nog net zo’n beetje te hard.
Mijn oren toeteren ervan.
En weet u, ik ben op mijn rust gesteld.
En ik begrijp het ergens niet.
Misschien dat u dit niet gelooft, maar ik ben zelf niet zo’n prater. Ik hou niet van praten. Nee, echt niet. Ik praat liefst zo weinig mogelijk. Alleen het hoogst noodzakelijke. In het echt ben ik een heel rustig persoon zeg maar. Ja maar nee maar echt. Vraag maar na.
En weet u, Man is ook zo.
En De Grote Dochter ook.
En nu hebben we dus ineens zo’n tetterkampioen erbij.
Feitelijk weten we ons er geen raad mee.
En dan is ze momenteel ook nog eens tweetalig.
Als ze zit te kakelen doet ze dat eerst in het Nederlands. En als ze niet snel genoeg een antwoord krijgt, herhaalt ze de zin in het Limburgs.
Dus we krijgen al het gesproken woord in het kwadraat, dat ook nog eens!
‘Ik ga op de glijbaan!’ verkondigde ze vandaag.
Ik reageerde niet meteen.
Ja hee, wat moet je daar eigenlijk op zeggen ook.
‘Ich gaon op de gliebaan!’ herhaalde ze, licht dwingend.
Ik grinnikte. Gliebaan is geen Limburgs woord. De grammaticaregel schrijft dan wel voor dat Nederlandse lange IJ verandert in Limburgse IE (ijsje wordt ieske) maar bij glijbaan geldt dat niet.
Het Kleine Meisje bedacht zich. Iets klopte er niet aan haar zin, ze had het zelf door.
‘Ich gaon op de roetschbaan!’ besloot ze triomfantelijk.
Hatsekidee.
Eén zin, in drievoud.
Het is bijna een gave.
Zoveel mogelijk praten over weinig.
Dat bedoel ik.




Tag Archives: Taalontwikkeling
Het takje en de taalontwikkeling
En hoe gaat het dan met de kleine praatweigeraar, zo vraagt u zich af. Het Kleine Meisje dat tot januari van dit jaar, ze was toen ruim twee, geen enkel woord sprak. Geen enkel? Geen enkel.
Wel, de kleine praatweigeraar is inmiddels aan de praterij dus. Die zevert me een eind weg, ik word er horendol van. Dat getater de ganse dag. Mama heeft om vijf uur al zin in sherry.
Nu moet ik eerlijk zeggen dat dat van die sherry ook komt doordat het hier en daar nog allemaal wat ingewikkeld is, die hele taalontwikkeling.
Het is nogal een toestand.
Zo kan het voorkomen dat we over een bospaadje lopen en dat ze dan scherp opmerkt: ‘Takje.’
Nou, ja, het is een bospaadje en daar plegen doorgaans nogal wat takjes te liggen dus je beaamt dat.
‘Hmm.’
Nou moet u weten dat bij een peuter beamen niet genoeg is. Peuters willen nogal graag zeker weten dat je ze goed begrepen hebt.
‘Dat is een takje!’ herhaalt ze licht dwingend.
De sherry begint al op te doemen.
‘Ja, lieverd, dat is een takje.’
‘Nee, een tákje!’ is het antwoord.
De kleine peuteroogjes staan inmiddels neurotisch.
Ergens begint zich in je brein een vermoeden te vormen. Het takje is geen takje. Het takje is iets anders. Iets dat líjkt op takje. Ojongojongojong, dat gaat weer zo’n eindeloze zoektocht naar het juiste woord worden.
‘Pakje?’ vraag je dan maar benepen.
‘Neehee! Tákje!’ brult Het Kleine Meisje.
Ze gaat er ook steeds harder van schreeuwen. Alsof je haar daarvan beter gaat begrijpen.
Je pijnigt je brein. Welke letters kon ze ook weer moeilijk uitspreken? Welke letters vervangt ze door de T?
‘Bakje?’ piep je.
‘TAKJE!’
Van pure ellende loop je terug naar waar de ellende begon.
Je speurt het bospaadje af. Ach, wat kruipt daar?
‘Slakje!’ roep je opgelucht.
‘Jaaa, takje,’ knort Het Kleine Meisje tevreden.
En terwijl het poelepetatje vrolijk het pad afhuppelt, probeer je de martelende pijn achter je ogen weg te drukken.
Ja, jong, het is me allemaal wat.
