Een heel verhaal over Paastoestanden en hoe ik eieren batikte

Het was me een weekje.
Het begon ermee dat Man de Grote Dochter het paasverhaal vertelde. Palmpasen, de intocht in Jeruzalem, de jaloerse koning, het laatste avondmaal, Judas, de apostelen, het hele zaakje.
Ja, het heidense wichtje moet volgend jaar de communie doen, in een net kleedje en met een bloemenkransje, ik verheug me nu al, dan is het toch handig dat ze er iets van weet, van de materie.
‘De apostelen, dat waren Jezus’ vrienden,’ vertelde Man.
De Grote Dochter luisterde aandachtig.
‘Ach, dat waren heel gewone jongens hoor, ene deed iets met computers geloof ik. Ze hadden ook allemaal baarden, dat was hip in die dagen.’
Een dag later controleerden we overigens op onopvallende wijze wat er van het hele verhaal was blijven hangen.
‘Wat vieren we ook alweer met palmpasen, lieverd?’ vroeg ik subtiel.
Een hoofdje als een botsauto viel mij ten deel.
Ja, daar doe je het allemaal voor.
Dat wordt nog wat, die hele communie.
‘Ne boze m’neer pestoor wordt dat.
Wat het heidense wichtje overigens wel ontzettend interessant vond deze week was de broedmachine in de klas.
Ach, die kuikentjes, die kúikentjes! De hele dag werd er over kuikentjes gezaagd.
‘Er is een kuikentje en die heeft klem gezeten in het ei, mama,’ was het op een dag.
‘Oja?’
‘Ja, die loopt heel gek, met een pootje in zijn nek.’
Dochter trok haar ene been op, zo hoog als ze kon en struikelde zo onhandig een paar stappen door de keuken. ‘Zo loopt hij.’
‘Hahaha!’ deed ik. ‘Hahahaha!’
Maar dat leverde me een boos gezicht op.
Het arme kuiken, hoe durfde ik zo te lachen.
Ja, we kunnen wel stellen dat de kuikentjes heilig waren.
En niks onthouden van het paasverhaal hè.
Sodom en Gomorra hier.
Maar ik maakte wel mooie eieren.
Dat is toch nog wat tenminste.

(Uit: Leven met het jaar, Kutik en Ott-Heidmann)